Het militaire verleden van Zuid-Afrika
Een bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History in Johannesburg
Wanneer je door Zuid-Afrika reist, is het bijna onmogelijk om niet met geschiedenis in aanraking te komen. Soms gebeurt dat heel bewust, wanneer je een monument bezoekt, een museum binnenstapt of een historisch slagveld aandoet. Op andere momenten gebeurt het bijna ongemerkt. Je rijdt door een klein dorp en ziet een oud gebouw waarvan de gevel een verhaal uit een andere eeuw vertelt. Je passeert een plaatsnaam die verwijst naar een veldslag of een vroegere nederzetting. Je rijdt door een landschap waar ooit een leger heeft gestaan, een spoorlijn werd aangelegd voor militaire bevoorrading of waar mensen hun huis en land moesten achterlaten als gevolg van een conflict dat vandaag misschien nog slechts als een voetnoot in een geschiedenisboek wordt vermeld.
Dat is een van de dingen die mij blijven fascineren aan Zuid-Afrika. Het land dat je vandaag als reiziger ziet, is het resultaat van een buitengewoon lange opeenvolging van gebeurtenissen waarin verschillende bevolkingsgroepen, culturen, politieke machten en economische belangen elkaar voortdurend hebben beïnvloed. De geschiedenis is hier niet ergens ver weg in een museum opgeborgen. Ze ligt letterlijk in het landschap.
Johannesburg is daarvan misschien wel een van de beste voorbeelden. Voor de meeste buitenlandse bezoekers is de stad vooral het beginpunt van een reis. Je landt op OR Tambo International Airport, wordt opgehaald, brengt misschien een nacht door in Johannesburg en vertrekt vervolgens richting Mpumalanga, de Panorama Route en het Kruger National Park. Wie verder naar het zuiden reist, kan richting de Drakensberg, KwaZulu-Natal of de kust gaan. Voor anderen is Johannesburg het eindpunt van een safari voordat de terugvlucht naar Europa vertrekt.
Toch is Johannesburg veel meer dan een praktische toegangspoort tot de rest van Zuid-Afrika. De stad is ontstaan uit de goudkoorts van de negentiende eeuw en groeide uit tot het economische hart van het land. Haar geschiedenis is nauw verbonden met de ontwikkeling van de mijnindustrie, de Anglo-Boerenoorlog, de industrialisering van Zuid-Afrika, de migratie van grote groepen mensen, de ontwikkeling van het politieke systeem van apartheid en uiteindelijk de lange weg naar de democratische staat waarin Zuid-Afrika vandaag leeft.
Wie daar oog voor heeft, kan in Johannesburg dagenlang rondlopen zonder ooit hetzelfde historische verhaal tegen te komen.
Vorige week besloot ik tijdens mijn verblijf in Johannesburg een plaats te bezoeken die al langere tijd op mijn lijst stond: het DITSONG National Museum of Military History in Saxonwold.
Ik ging er in eerste instantie naartoe omdat ik geïnteresseerd ben in militaire geschiedenis en omdat ik wist dat het museum een bijzondere collectie vliegtuigen, tanks, pantservoertuigen, wapens, uniformen en andere militaire objecten bezit. Als iemand die zelf in Zuid-Afrika woont en als gids regelmatig door verschillende delen van het land reist, kom ik bovendien vaak op plaatsen waar de militaire geschiedenis van Zuid-Afrika nog zichtbaar aanwezig is. Toch wilde ik het verhaal eens vanuit een andere invalshoek bekijken: niet vanuit één historische plaats of één specifieke oorlog, maar vanuit een museum dat probeert een groot deel van de militaire geschiedenis van het land samen te brengen.
Ik had mijn camera bij me en heb tijdens mijn bezoek heel wat foto's gemaakt. Niet alleen van de grote vliegtuigen en voertuigen die natuurlijk onmiddellijk de aandacht trekken, maar ook van kleinere objecten, uniformen, wapens en andere stukken die misschien minder spectaculair zijn, maar vaak juist een bijzonder verhaal vertellen.
Hoe langer ik in het museum rondliep, hoe meer ik merkte dat het eigenlijk moeilijk is om zo'n plaats uitsluitend als een militair museum te bekijken.
Natuurlijk staan er machines.
Er zijn vliegtuigen die je onmiddellijk doen stilstaan, voertuigen waarvan de omvang je pas echt opvalt wanneer je er vlak naast staat en wapens die herinneren aan conflicten die soms meer dan honderd jaar geleden plaatsvonden. Voor iemand die geïnteresseerd is in techniek is er dan ook enorm veel te bekijken.
Maar uiteindelijk zijn het niet de machines die mij het meest bijbleven.
Het zijn de verhalen achter die machines.
Want ieder vliegtuig dat hier staat, werd ooit door mensen gebouwd, onderhouden en gebruikt. Ieder voertuig dat hier wordt bewaard, was ooit onderdeel van een militaire organisatie en werd ergens op een bepaald moment ingezet onder omstandigheden die vaak nauwelijks te vergelijken zijn met de rustige museumomgeving waarin wij het vandaag bekijken. Ieder uniform werd door iemand gedragen. Iedere medaille werd aan iemand toegekend. Achter iedere brief zat iemand die schreef naar huis, en achter iedere naam in een militair dossier stond een persoon met een familie, vrienden, verwachtingen en waarschijnlijk ook angst.
Dat besef verandert de manier waarop je door zo'n museum loopt.
Je kijkt anders naar een oud vliegtuig wanneer je weet dat het niet zomaar een vliegtuig is, maar een toestel dat tijdens een oorlog daadwerkelijk boven vijandelijk gebied heeft gevlogen. Een tank krijgt een andere betekenis wanneer je beseft dat mensen ermee naar een gevecht reden en dat de bemanning afhankelijk was van de bescherming van enkele centimeters staal. Een oude radio lijkt misschien op het eerste gezicht een technisch voorwerp uit een ver verleden, totdat je je realiseert dat communicatie op een bepaald moment het verschil kon betekenen tussen een eenheid die wist wat er gebeurde en een eenheid die volledig geïsoleerd raakte.
Dat is voor mij de kracht van militaire musea.
Ze maken grote gebeurtenissen opnieuw tastbaar.
Een geschiedenisboek kan vertellen dat er op een bepaalde datum een veldslag plaatsvond, dat een leger oprukte, dat een eenheid zware verliezen leed of dat een bepaalde militaire operatie succesvol was. Maar een museum kan je laten zien waarmee die mensen werkten, hoe ze eruitzagen, welke uitrusting ze droegen en soms zelfs welke persoonlijke voorwerpen ze bij zich hadden.
Daarmee wordt een groot historisch verhaal opeens veel menselijker.
En juist daarom vond ik mijn bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History zo interessant.
Een museum dat zelf onderdeel van de geschiedenis is
Nog voordat je je verdiept in de collectie, is het interessant om stil te staan bij het ontstaan van het museum zelf.
Het DITSONG National Museum of Military History is namelijk niet zomaar een museum dat op een bepaald moment werd gebouwd omdat men vond dat er ergens een verzameling militaire voorwerpen moest komen. De oorsprong ligt in een veel bredere behoefte om de militaire bijdrage van Zuid-Afrika te documenteren en te bewaren.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bestond er in Zuid-Afrika nog geen formeel museum dat de betrokkenheid van het land bij die oorlog op een samenhangende manier presenteerde. Dat is achteraf opmerkelijk, zeker wanneer je bedenkt hoe groot de betrokkenheid van Zuid-Afrikaanse militairen bij verschillende campagnes was en hoe belangrijk de Eerste Wereldoorlog uiteindelijk zou worden voor de militaire herinneringscultuur van het land.
Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog begon de situatie wezenlijk te veranderen.
In 1940 werd kapitein J. Agar-Hamilton aangesteld als officieel historicus van de Union Defence Forces. In datzelfde jaar werd een Historical Research Committee opgericht met als doel documenten en militair erfgoed te verzamelen en te bewaren. Daarmee werd de basis gelegd voor wat later het militaire museum zou worden.
Dat moment is belangrijker dan het misschien op het eerste gezicht lijkt.
Wanneer een oorlog voorbij is, verdwijnen de tastbare sporen ervan namelijk verrassend snel. Een leger trekt zich terug. Materieel wordt verkocht, vernietigd of opnieuw gebruikt. Uniformen worden weggegooid. Documenten raken verspreid. Persoonlijke bezittingen verdwijnen in families. Foto's worden vergeten in dozen en kasten.
Als niemand op tijd begint met verzamelen, gaat een belangrijk deel van de geschiedenis verloren.
Het verzamelen van militair erfgoed is daarom nooit alleen een kwestie van oude spullen bij elkaar brengen. Het is een manier om een historische periode te documenteren voordat de laatste mensen die haar zelf hebben meegemaakt verdwijnen.
In het geval van Zuid-Afrika werd die behoefte tijdens de Tweede Wereldoorlog steeds duidelijker.
De oorlog was niet alleen een internationaal conflict dat zich ver van Zuid-Afrika afspeelde. Zuid-Afrikanen namen er daadwerkelijk aan deel. Militairen werden naar verschillende fronten gestuurd, vliegtuigen werden ingezet, voertuigen werden geproduceerd en onderhouden, medische diensten werden georganiseerd en het hele land werd op verschillende manieren bij de oorlogsinspanning betrokken.
Er ontstond daardoor een enorme hoeveelheid materiaal die later een historische betekenis zou krijgen.
1947: de opening van het museum
Op 29 augustus 1947, amper twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd het toenmalige South African National War Museum officieel geopend.
De opening werd verricht door veldmaarschalk J. C. Smuts, een van de meest invloedrijke politieke en militaire figuren uit de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. Smuts was niet alleen voormalig premier van Zuid-Afrika, maar had tijdens de Tweede Wereldoorlog zelf een belangrijke internationale rol gespeeld en stond dicht bij de geallieerde oorlogsinspanning.
Zijn aanwezigheid bij de opening was daarom meer dan symbolisch.
Het museum was in de eerste plaats bedoeld als herinnering aan de Zuid-Afrikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog. Maar de woorden waarmee Smuts bij de opening over het museum sprak, geven aan dat men vanaf het begin al verder keek dan alleen militaire successen.
Hij beschouwde het museum als een gedenkplaats voor wat hij omschreef als een grote gezamenlijke inspanning van het land, maar benadrukte tegelijkertijd dat herinneringen aan oorlog niet alleen moesten gaan over heldendom en overwinning. Ze moesten ook herinneren aan de verschrikkingen van oorlog, het verlies van mensenlevens en de verwoesting die oorlog veroorzaakt. Hij zag een dergelijke plaats bovendien als een waarschuwing voor toekomstige generaties.
Die gedachte is vandaag misschien nog belangrijker dan in 1947.
Wanneer wij tegenwoordig door een museum lopen en een verzameling tanks, vliegtuigen en wapens zien, is het gemakkelijk om vooral onder de indruk te zijn van de technologie. We leven bovendien in een tijd waarin oorlog steeds vaker via spectaculaire beelden op televisie, internet en sociale media tot ons komt. Een modern militair voertuig kan indrukwekkend zijn, een straaljager fascinerend en een historisch wapen technisch bijzonder.
Maar de werkelijkheid waaruit deze objecten afkomstig zijn, was meestal allesbehalve indrukwekkend of fascinerend voor de mensen die er middenin zaten.
Voor hen betekende oorlog onzekerheid, angst, verlies, vermoeidheid, verwondingen en soms de dood.
Dat dubbele karakter van militaire geschiedenis – bewondering voor menselijke technische ontwikkeling tegenover de vernietigende kracht die daarmee gepaard kan gaan – loopt eigenlijk als een rode draad door het museum.
Van oorlogsmuseum naar museum van militaire geschiedenis
Het museum bleef niet beperkt tot de Tweede Wereldoorlog.
In 1975 werd de naam veranderd in het South African National Museum of Military History en werd de opdracht aanzienlijk uitgebreid. Vanaf dat moment moest het museum niet langer uitsluitend de Tweede Wereldoorlog documenteren, maar de geschiedenis van alle militaire conflicten waarbij Zuid-Afrikanen betrokken waren.
Dat veranderde de betekenis van de collectie grondig.
Zuid-Afrika heeft immers een lange militaire geschiedenis die ver teruggaat vóór 1939.
Er waren conflicten tussen verschillende Afrikaanse koninkrijken en gemeenschappen, koloniale oorlogen, de Anglo-Zuluoorlog, de Anglo-Boerenoorlogen, de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, de Koreaanse Oorlog en later de conflicten van de Koude Oorlog in zuidelijk Afrika.
De militaire geschiedenis van Zuid-Afrika is bovendien niet los te maken van de politieke ontwikkeling van het land.
Dat is misschien wel een van de belangrijkste zaken om in gedachten te houden wanneer je het museum bezoekt.
Een militair conflict ontstaat immers nooit zomaar.
Achter een oorlog bevinden zich politieke beslissingen, economische belangen, territoriale ambities, ideologieën, machtsverhoudingen en menselijke keuzes.
Wie alleen naar de wapens kijkt, ziet dus maar een deel van het verhaal.
Wie probeert te begrijpen waarom die wapens op een bepaald moment werden gebruikt, komt automatisch terecht bij de geschiedenis van het land zelf.
Een collectie die veel verder reikt dan vliegtuigen en tanks
De officiële beschrijving van het museum maakt duidelijk hoe breed de collectie eigenlijk is. Ze bestrijkt een lange historische periode, van vroegere conflicten in zuidelijk Afrika tot de Eerste Wereldoorlog, de twintigste-eeuwse oorlogen en uiteindelijk de hedendaagse deelname van Zuid-Afrikaanse troepen aan internationale vredesoperaties.
Dat brede tijdsperspectief is belangrijk.
Een museum dat uitsluitend de Tweede Wereldoorlog zou behandelen, zou natuurlijk al voldoende materiaal hebben om een bezoeker urenlang bezig te houden. Maar door verschillende eeuwen van militaire geschiedenis samen te brengen, ontstaat iets anders: een beeld van hoe oorlogvoering zelf veranderde.
De wapens veranderen.
De voertuigen veranderen.
De uniformen veranderen.
De manier waarop legers communiceren verandert.
De rol van vliegtuigen verandert.
De medische mogelijkheden veranderen.
En tegelijkertijd verandert ook de manier waarop staten oorlog voeren en waarom ze dat doen.
Wanneer je door zo'n collectie loopt, zie je daardoor eigenlijk niet alleen de geschiedenis van Zuid-Afrikaanse militairen, maar ook de ontwikkeling van moderne oorlogsvoering.
Van relatief eenvoudige wapens naar steeds complexere systemen.
Van soldaten die zich grotendeels te voet verplaatsen naar gemechaniseerde legers.
Van berichten die door boodschappers worden overgebracht naar radio, radar en moderne communicatie.
Van paarden en eenvoudige transportmiddelen naar gepantserde voertuigen, vliegtuigen en helikopters.
Die technologische ontwikkeling is indrukwekkend.
Maar opnieuw geldt dat ieder technisch object uiteindelijk in dienst stond van mensen en werd gebruikt binnen een bepaalde historische context.
De plaats zelf
Ook de locatie van het museum draagt bij aan de ervaring.
Het museum bevindt zich aan Erlswold Way in Saxonwold, in het noorden van Johannesburg. DITSONG vermeldt dat het museum een van de acht musea van de organisatie is, waarvan er zeven in Tshwane en één in Johannesburg zijn gevestigd.
Wat ik bijzonder vind aan de locatie, is dat je je in een groene omgeving bevindt die op het eerste gezicht weinig weg heeft van het beeld dat mensen soms van een militair museum hebben.
Je verwacht misschien een grote, moderne tentoonstellingshal of een industrieel terrein.
Maar zodra je het museumterrein betreedt, ontstaat er een andere sfeer.
En dan begint ook de tegenstelling die het museum zo interessant maakt: buiten is het rustig en groen, terwijl de collectie binnen en op het terrein verwijst naar enkele van de meest gewelddadige periodes uit de moderne geschiedenis.
Die tegenstelling werkt.
Het geeft je de mogelijkheid om rustig rond te kijken en tegelijkertijd geconfronteerd te worden met objecten die ooit midden in oorlogen werden gebruikt.
De twee vliegtuigloodsen
Een van de bijzondere kenmerken van het museum is dat een groot deel van de collectie wordt tentoongesteld in de twee oorspronkelijke Bellman-vliegtuigloodsen die al op het terrein stonden toen het museum in 1947 werd geopend.
Dat betekent dat deze gebouwen zelf inmiddels onderdeel zijn geworden van het erfgoed van het museum. De huidige DITSONG-informatie vermeldt dat de oorspronkelijke hangars nog steeds worden gebruikt voor een groot deel van de tentoonstellingen, terwijl in de loop der jaren andere gebouwen zijn toegevoegd om de groeiende collectie onder te brengen.
Dat vind ik persoonlijk een belangrijk detail.
Een museumgebouw is meestal slechts de verpakking rond de collectie.
Hier wordt het gebouw zelf onderdeel van het verhaal.
Wanneer je een historische vliegtuigloods binnenloopt en daar vervolgens vliegtuigen ziet die verschillende decennia van militaire luchtvaart vertegenwoordigen, krijg je een gevoel van continuïteit dat je in een volledig nieuw museumgebouw misschien minder sterk zou ervaren.
De ruimte heeft geschiedenis.
De objecten hebben geschiedenis.
En die twee verhalen komen samen.
Daarbij krijg je ook een beter gevoel voor de schaal van sommige objecten. Op foto's lijken vliegtuigen en gepantserde voertuigen soms bijna kleiner dan ze in werkelijkheid zijn. Wanneer je er vlak naast staat, merk je pas hoeveel techniek, materiaal en arbeid er nodig was om zo'n machine te bouwen.
Maar opnieuw: de machine is slechts het begin van het verhaal.
Wanneer een museumobject een verhaal wordt
Dat is waarschijnlijk de belangrijkste verandering die tijdens mijn bezoek bij mij optrad.
Bij het binnenkomen kijk je eerst als bezoeker.
Je kijkt naar wat er staat.
Je vergelijkt vliegtuigen.
Je bekijkt voertuigen.
Je probeert misschien te herkennen welk type tank of welk model vliegtuig voor je staat.
Maar naarmate je langer blijft, begin je vragen te stellen.
Waar werd dit gebruikt?
Wanneer?
Door wie?
Waarom werd het gebouwd?
Wat gebeurde ermee?
Hoeveel mensen zaten erin?
Wat gebeurde er met die mensen?
En vooral: hoe moet het geweest zijn om daar daadwerkelijk mee te werken tijdens een oorlog?
Op dat moment verandert het object.
Een vliegtuig is dan niet meer alleen een vliegtuig.
Het wordt onderdeel van een verhaal.
Dat geldt misschien nog sterker voor kleinere voorwerpen.
Een uniform lijkt op het eerste gezicht minder spectaculair dan een tank, maar het vertelt je iets over de persoon die het droeg. Een veldfles, een helm of een paar militaire laarzen zijn technisch gezien eenvoudige objecten. Toch maken juist dergelijke voorwerpen oorlog tastbaar, omdat ze onderdeel waren van het dagelijkse leven.
En dat dagelijkse leven wordt in grote historische verhalen vaak vergeten.
We herinneren ons generaals.
We herinneren ons veldslagen.
We herinneren ons jaartallen.
Maar de meerderheid van de mensen die een oorlog meemaken, is geen generaal en schrijft geen geschiedenisboek.
Het zijn gewone mensen die op een bepaald moment in buitengewone omstandigheden terechtkomen.
De menselijke maat van een oorlog
Wanneer je naar een tank kijkt, zie je staal.
Wanneer je naar een vliegtuig kijkt, zie je aluminium, hout, glas, motoren en kabels.
Wanneer je naar een geweer kijkt, zie je een wapen.
Maar wanneer je je probeert voor te stellen hoe deze objecten werden gebruikt, verschijnt er een heel ander beeld.
Achter ieder voertuig zaten mensen.
Achter iedere operatie stonden duizenden anderen die ervoor zorgden dat de operatie überhaupt mogelijk was.
Er waren chauffeurs die voertuigen moesten besturen, mecaniciens die motoren moesten onderhouden, mensen die brandstof en munitie moesten aanvoeren, medisch personeel dat gewonden moest behandelen en communicatiespecialisten die ervoor moesten zorgen dat bevelen hun bestemming bereikten.
Een leger bestaat uiteindelijk uit veel meer dan de mensen die schieten.
Dat is een aspect van militaire geschiedenis dat in een museum bijzonder goed zichtbaar kan worden.
De grote objecten trekken de aandacht, maar de kleinere stukken vullen het verhaal aan.
Ze laten zien hoe een militair systeem functioneerde.
Van herinnering naar geschiedenis
Er is ook een verschil tussen herinnering en geschiedenis.
Een familie kan zich een grootvader herinneren die tijdens de Tweede Wereldoorlog diende. Voor die familie gaat het om een persoonlijk verhaal. Misschien is er een foto, een uniform, een medaille of een brief bewaard.
Voor een historicus is dezelfde persoon misschien één naam in een archief.
Voor een museum kan zijn uniform een collectieobject worden.
Voor de samenleving kan zijn regiment deel worden van de nationale militaire geschiedenis.
Al deze perspectieven zijn verschillend, maar ze vullen elkaar aan.
Een museum zoals DITSONG probeert die verschillende niveaus bij elkaar te brengen.
De officiële missie van het museum is dan ook niet simpelweg het tentoonstellen van militaire objecten. Het museum omschrijft zichzelf als een gedenkplaats voor Zuid-Afrikanen die tijdens of als gevolg van militaire acties zijn omgekomen en als een instelling die de militaire geschiedenis van het land voor toekomstige generaties wil bewaren.
Dat maakt de plaats uiteindelijk veel meer dan een toeristische attractie.
Het is ook een plaats van herinnering.
Een museum voor veteranen
Die functie als plaats van herinnering wordt nog duidelijker wanneer je weet dat het museum ook wordt beschouwd als een belangrijke symbolische en spirituele thuisbasis voor Zuid-Afrikaanse militairen en veteranen.
Volgens DITSONG gebruiken verschillende veteranen- en militaire organisaties het museum voor bijeenkomsten en andere activiteiten. Tot de organisaties die er samenkomen behoren onder andere de South African Military History Society en verschillende verenigingen van verzamelaars en liefhebbers van militaire geschiedenis.
Dat geeft de plaats een extra dimensie.
Voor een toerist is het museum een plek waar je geschiedenis komt bekijken.
Voor iemand die zelf gediend heeft, kan dezelfde plek een veel persoonlijkere betekenis hebben.
Een bepaald uniform kan herinneringen oproepen.
Een bepaald voertuig kan iemand terugbrengen naar een periode uit zijn jeugd.
Een bepaalde naam kan herinneren aan een vriend of collega.
Daarmee wordt het museum niet alleen een plaats waar het verleden wordt uitgelegd, maar ook een plaats waar mensen hun eigen verleden herkennen.
Een collectie die blijft groeien
Het idee van een museum als een afgesloten verzameling is eigenlijk misleidend.
Geschiedenis stopt immers niet.
Ook nadat het oorspronkelijke museum in 1947 werd geopend, bleef de collectie groeien en veranderde de historische context voortdurend. Nieuwe objecten werden toegevoegd, bestaande collecties werden verder onderzocht en nieuwe generaties kregen nieuwe vragen over het verleden.
Dat is vandaag nog steeds zichtbaar.
De collectie van het museum loopt volgens DITSONG inmiddels door tot de eenentwintigste eeuw, met onder meer moderne vliegtuigen en materiaal dat verband houdt met de huidige rol van Zuid-Afrikaanse troepen in internationale vredesoperaties.
Dat betekent dat het museum eigenlijk nooit helemaal "af" kan zijn.
Er komt steeds nieuwe geschiedenis bij.
Wat vandaag actueel is, kan over enkele decennia zelf historisch erfgoed worden.
En daarmee wordt een bezoek aan een militair museum ook een confrontatie met de vraag welke gebeurtenissen wij belangrijk genoeg vinden om voor toekomstige generaties te bewaren.
Mijn camera bleef ondertussen werken
Tijdens mijn bezoek heb ik dan ook behoorlijk wat foto's gemaakt.
Dat begon eigenlijk heel vanzelfsprekend. Wanneer je ergens rondloopt en voortdurend interessante vliegtuigen, voertuigen en historische voorwerpen tegenkomt, wil je die natuurlijk vastleggen.
Maar na verloop van tijd merkte ik dat ik niet meer alleen foto's maakte van wat er mooi of indrukwekkend uitzag.
Ik begon ook foto's te maken van details.
Van objecten die op het eerste gezicht misschien minder spectaculair zijn.
Van onderdelen die je gemakkelijk voorbijloopt.
Van informatiepanelen.
Van uniformen.
Van historische stukken waarvan ik dacht dat ze later, wanneer ik de foto's opnieuw zou bekijken, een verhaal zouden kunnen vertellen.
Dat is ook de reden waarom ik ervoor heb gekozen om de foto's niet doorheen dit artikel te plaatsen.
De reportage zelf wil ik als één doorlopend verhaal laten lezen. Onderaan komt daarom een afzonderlijk fotoalbum met de beelden die ik tijdens mijn bezoek heb gemaakt.
Op die manier kunnen de twee elkaar aanvullen.
Eerst het verhaal.
Daarna de beelden.
Maar waar begint de geschiedenis eigenlijk?
Terwijl ik door het museum liep, kwam ik steeds meer tot de conclusie dat je onmogelijk een verhaal over de militaire geschiedenis van Zuid-Afrika kunt beginnen bij 1939.
De geschiedenis van het land is daarvoor veel ouder en veel ingewikkelder.
Lang voordat Zuid-Afrika de moderne staat werd die we vandaag kennen, waren er verschillende Afrikaanse samenlevingen, koninkrijken en gemeenschappen met hun eigen politieke structuren, machtsverhoudingen en militaire tradities.
Later kwamen Europese koloniale machten in beeld.
De Nederlandse Kaapkolonie groeide uit tot een belangrijk strategisch gebied.
Daarna breidde het Britse Rijk zijn invloed uit.
Binnen het binnenland ontstonden nieuwe machtsverhoudingen.
Er kwamen conflicten tussen verschillende Afrikaanse groepen, tussen Afrikaanse gemeenschappen en koloniale machten, en uiteindelijk tussen Britse en Boerensamenlevingen.
De negentiende eeuw werd daardoor een periode waarin de militaire geschiedenis van zuidelijk Afrika voortdurend veranderde.
Om te begrijpen waarom Zuid-Afrikaanse soldaten later in twee wereldoorlogen en andere internationale conflicten zouden vechten, moet je dus eigenlijk veel verder teruggaan.
De latere militaire geschiedenis is niet uit het niets ontstaan.
Ze is het resultaat van een lange ontwikkeling van kolonialisme, territoriale expansie, politieke strijd, economische belangen en de vorming van de Zuid-Afrikaanse staat.
En precies daar begint het volgende deel van deze reportage.
Van het museum terug naar het slagveld
Mijn bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History werd daardoor uiteindelijk iets anders dan ik vooraf had verwacht.
Ik was gekomen om een museum te bekijken.
Ik vertrok met het gevoel dat ik eigenlijk door een groot deel van de geschiedenis van Zuid-Afrika had gelopen.
De collectie bracht me van de ene periode naar de andere en maakte duidelijk hoe sterk militaire geschiedenis verbonden is met de algemene geschiedenis van een land.
De vliegtuigen en tanks zijn indrukwekkend, maar ze zijn slechts de zichtbare laag.
Daaronder ligt een veel groter verhaal over mensen, politieke beslissingen, maatschappelijke veranderingen, technologische ontwikkelingen en conflicten die soms tot op vandaag hun sporen hebben nagelaten.
En daarom wil ik in de volgende delen van deze reportage niet simpelweg een opsomming geven van wat er in het museum te zien is.
Ik wil proberen de verhalen achter die collectie te reconstrueren.
Hoe zag de militaire wereld van Zuid-Afrika eruit voordat het land aan de wereldoorlogen deelnam?
Waarom kwamen Zuid-Afrikaanse militairen tegenover het Zoeloeleger te staan?
Wat gebeurde er tijdens de Anglo-Boerenoorlogen?
Waarom speelde Zuid-Afrika een rol in de Eerste Wereldoorlog?
Wat gebeurde er bij Delville Wood?
En hoe groeide een museum dat oorspronkelijk vooral bedoeld was als herinnering aan de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk uit tot een instelling die de militaire geschiedenis van Zuid-Afrika over een veel langere periode probeert te bewaren?
Dat is het verhaal dat ik in de volgende delen verder wil vertellen.
Want wanneer je eenmaal begrijpt waar de collectie vandaan komt, kijk je tijdens een volgend bezoek niet meer op dezelfde manier naar die vliegtuigen, voertuigen, uniformen en wapens.
Je ziet dan niet langer alleen een museum.
Je ziet een verzameling verhalen.
En achter ieder verhaal staat uiteindelijk een mens.
Van koloniale conflicten tot de Anglo-Boerenoorlogen
Om de collectie van het DITSONG National Museum of Military History werkelijk te begrijpen, moeten we verder teruggaan dan de twee wereldoorlogen. Zuid-Afrika heeft immers al eeuwenlang een geschiedenis waarin machtsverhoudingen, territoriale expansie, migratie, handel en militaire conflicten nauw met elkaar verweven zijn. Wanneer je in het museum een oud wapen, een uniform of een militair voorwerp uit de negentiende eeuw ziet, staat dat object niet op zichzelf. Het behoort tot een periode waarin de samenleving van zuidelijk Afrika ingrijpend veranderde en waarin verschillende politieke machten steeds vaker met elkaar in botsing kwamen.
Dat maakt de vroegste geschiedenis van de collectie misschien minder spectaculair dan de grote vliegtuigen en tanks die later in het museum te zien zijn, maar historisch gezien is ze minstens zo belangrijk. Zonder de conflicten en machtsverschuivingen van de achttiende en negentiende eeuw zou de latere militaire geschiedenis van Zuid-Afrika er immers volledig anders hebben uitgezien.
Zuidelijk Afrika vóór de Europese kolonisatie
Lang voordat Europese machten zich permanent aan de zuidpunt van Afrika vestigden, leefden er verschillende bevolkingsgroepen in het gebied dat wij vandaag Zuid-Afrika noemen. Het waren geen uniforme samenlevingen en evenmin bestond er één politieke macht die het hele gebied beheerste. Verschillende gemeenschappen hadden hun eigen talen, tradities, economische systemen en politieke structuren.
De Khoekhoe en San behoren tot de oudste bevolkingsgroepen van de regio. Daarnaast ontwikkelden zich in verschillende delen van zuidelijk Afrika landbouwgemeenschappen en grotere politieke verbanden. In de loop der eeuwen ontstonden koninkrijken en chiefdoms die hun grondgebied, handelsroutes en politieke invloed verdedigden en soms uitbreidden. Conflicten waren daarbij niet noodzakelijk uitzonderlijk, maar de aard en schaal ervan veranderden sterk naarmate bevolkingsgroepen migreerden en politieke machtscentra groeiden.
Een van de belangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de negentiende eeuw was de opkomst van grotere en sterker georganiseerde politieke eenheden. Vooral in het zuidoosten van het huidige Zuid-Afrika ontstonden machtsstructuren die later een belangrijke rol zouden spelen in de geschiedenis van het Zoeloekoninkrijk.
Wanneer we vandaag naar een historisch militair museum kijken, is het verleidelijk om militaire ontwikkeling uitsluitend te verbinden met Europese wapens en legers. Dat zou echter een verkeerd beeld geven. Ook de Afrikaanse koninkrijken beschikten over georganiseerde militaire structuren, strategieën en strijdtradities. De latere confrontaties tussen Europese koloniale machten en Afrikaanse staten waren dan ook geen eenvoudige ontmoetingen tussen een modern leger en een ongeorganiseerde bevolking. Het waren conflicten tussen verschillende politieke systemen en militaire culturen, waarbij beide partijen zich voortdurend aan de omstandigheden moesten aanpassen.
De komst van de Nederlanders aan de Kaap
De militaire geschiedenis van het moderne Zuid-Afrika kreeg een nieuwe dimensie toen de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1652 onder leiding van Jan van Riebeeck een verversingsstation aan de Kaap vestigde.
De oorspronkelijke bedoeling was vooral praktisch. Schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie voeren tussen Europa en Azië en hadden behoefte aan een plaats waar bemanningen voedsel, water en andere voorraden konden verkrijgen. De Kaap was daarvoor geografisch bijzonder geschikt.
Maar een nederzetting die aanvankelijk als bevoorradingsstation was bedoeld, groeide langzaam uit tot een permanente Europese kolonie.
Dat had grote gevolgen voor de bevolking die al in het gebied leefde.
De behoefte aan landbouwgrond nam toe. Er ontstonden spanningen tussen kolonisten en Khoekhoe-gemeenschappen en later ook tussen kolonisten en andere bevolkingsgroepen. Europese landbouwers trokken steeds verder het binnenland in en ontwikkelden een samenleving die in de loop van de tijd sterk zou verschillen van de oorspronkelijke VOC-nederzetting aan de Kaap.
Daarmee ontstond ook een militaire realiteit. De koloniale overheid moest haar nederzettingen beschermen, handelsroutes bewaken en conflicten met lokale gemeenschappen beheersen. Militaire macht werd een steeds belangrijker onderdeel van de koloniale samenleving.
Toch was de Kaap in die periode nog geen Zuid-Afrika zoals wij het vandaag kennen. De politieke kaart van de regio zag er totaal anders uit. Er bestond nog geen Zuid-Afrikaanse staat en de verschillende gebieden werden door verschillende politieke machten en gemeenschappen bestuurd.
Dat zou in de negentiende eeuw ingrijpend veranderen.
De Britse overname van de Kaap
Aan het einde van de achttiende eeuw begon de Britse invloed aan de Kaap steeds belangrijker te worden. Tijdens de Napoleontische oorlogen werd de strategische waarde van de Kaap nog duidelijker. Voor Groot-Brittannië was de ligging van de Kaap van groot belang voor de verbindingen met India en andere delen van het Britse Rijk.
De Britse overname van de Kaap veranderde niet onmiddellijk alles, maar ze zette wel een proces in gang dat uiteindelijk enorme gevolgen zou hebben.
De Britse koloniale administratie bracht andere wetten, instellingen en maatschappelijke ideeën met zich mee. Tegelijkertijd bleven veel Nederlandse koloniale tradities bestaan. Een deel van de Nederlandstalige kolonisten, die later als Boeren of Afrikaners zouden worden aangeduid, voelde zich steeds minder verbonden met de Britse overheid.
Taal, religie, bestuur en economische belangen speelden daarbij een belangrijke rol.
Maar ook de kwestie van land en arbeidskrachten veroorzaakte spanningen.
De Britse afschaffing van de slavernij in het Britse Rijk in 1834 had bijvoorbeeld grote gevolgen voor de Kaapse samenleving. Voor veel Boeren betekende de Britse politiek een aantasting van de maatschappelijke en economische structuur waaraan zij gewend waren.
Een deel van deze kolonisten besloot daarop verder het binnenland in te trekken.
Deze beweging zou bekend worden als de Grote Trek.
De Grote Trek
De Grote Trek is een van de gebeurtenissen die de verdere geschiedenis van Zuid-Afrika sterk hebben beïnvloed.
Vanaf de jaren 1830 trokken groepen Voortrekkers met ossenwagens vanuit de Kaapkolonie naar het binnenland. Hun redenen waren verschillend en complex. Sommigen waren ontevreden over het Britse bestuur, anderen zochten landbouwgrond en weer anderen wilden een samenleving opbouwen waarin zij meer politieke autonomie hadden.
De trek was geen enkele georganiseerde migratie, maar een reeks bewegingen van verschillende groepen.
De Voortrekkers trokken door gebieden die al door andere gemeenschappen werden bewoond. Dat betekende dat de Grote Trek niet simpelweg een vreedzame verhuizing was. In verschillende gebieden ontstonden conflicten, allianties en machtsverschuivingen.
In Natal kwamen de Voortrekkers uiteindelijk in contact met het machtige Zoeloekoninkrijk.
Daarmee kwamen twee sterk verschillende politieke en militaire werelden tegenover elkaar te staan.
De opkomst van het Zoeloekoninkrijk
Om de latere Anglo-Zuluoorlog te begrijpen, moeten we eerst kijken naar de opkomst van het Zoeloekoninkrijk.
In het begin van de negentiende eeuw groeide onder leiding van Shaka een steeds sterker gecentraliseerde Zoeloestaat. Shaka reorganiseerde het militaire systeem en ontwikkelde een efficiënte krijgsmacht die bekend werd om haar discipline, mobiliteit en tactische organisatie.
Het Zoeloeleger, de impi, bestond uit regimenten die volgens leeftijdsgroepen waren georganiseerd. Soldaten werden getraind en ingezet binnen een systeem waarin discipline en collectieve organisatie centraal stonden.
Een belangrijke verandering was de ontwikkeling van tactieken waarbij soldaten niet alleen frontaal aanvielen, maar probeerden de tegenstander te omsingelen. Deze zogenaamde buffalo horns-formatie werd later beroemd.
De militaire macht van het Zoeloekoninkrijk was daardoor aanzienlijk.
Het is belangrijk om dit te begrijpen wanneer we later kijken naar de gebeurtenissen van 1879. De Britse confrontatie met de Zoeloes was geen conflict met een ongeorganiseerde lokale bevolking. Het Britse leger stond tegenover een groot en goed georganiseerd koninkrijk met een eigen militaire traditie.
De Voortrekkers en de Zoeloes
De spanningen tussen de Voortrekkers en de Zoeloes namen toe.
Een belangrijk keerpunt was de moord op Piet Retief en een groot deel van zijn gezelschap in 1838, nadat Retief en zijn mannen zich bij koning Dingane hadden gemeld om over grondgebied te onderhandelen.
Wat precies voorafging aan de gebeurtenissen en hoe de onderhandelingen moeten worden geïnterpreteerd, is onderwerp van historische discussie, maar de gevolgen waren duidelijk.
De moord werd gevolgd door gevechten tussen Voortrekkers en Zoeloes.
Later dat jaar vond de beroemde Slag bij Bloedrivier plaats.
Een relatief kleine groep Voortrekkers wist daar een veel grotere Zoeloemacht te verslaan vanuit een defensieve wagenlaagerformatie.
Bloedrivier kreeg vervolgens een enorme betekenis in de Afrikaner herinneringscultuur.
Het werd een verhaal over geloof, overwinning en overleving.
Maar vanuit historisch perspectief is het ook belangrijk om te beseffen dat dezelfde gebeurtenis vanuit verschillende perspectieven kan worden bekeken. Voor de Voortrekkers betekende de overwinning dat zij hun positie in Natal konden versterken. Voor het Zoeloekoninkrijk was het een zware militaire nederlaag, maar het betekende niet het einde van zijn macht.
De geschiedenis van Zuid-Afrika bestaat uit dergelijke overlappende herinneringen.
Eenzelfde gebeurtenis kan voor de ene groep een overwinning en voor een andere groep een tragedie betekenen.
Britse expansie in Natal
De Britse overheid raakte steeds meer betrokken bij de ontwikkelingen in Natal.
Uiteindelijk werd Natal een Britse kolonie.
Daarmee kwam een nieuwe machtsfactor tussen de Voortrekkers en het Zoeloekoninkrijk te staan.
De Britse expansie in zuidelijk Afrika was echter niet beperkt tot Natal. Groot-Brittannië wilde zijn invloed in de regio vergroten en de verschillende Britse kolonies en gebieden politiek en economisch met elkaar verbinden.
Deze expansie zou later leiden tot steeds grotere spanningen met zowel Afrikaanse koninkrijken als de onafhankelijke Boerenrepublieken.
De Anglo-Zuluoorlog van 1879
In 1879 kwam het tot een directe confrontatie tussen het Britse Rijk en het Zoeloekoninkrijk.
De aanleiding moet worden gezocht in de Britse expansiepolitiek in zuidelijk Afrika en de poging om de verschillende gebieden in de regio onder Britse invloed te brengen. De Britse hoge commissaris Sir Bartle Frere speelde daarbij een belangrijke rol.
Een ultimatum werd aan koning Cetshwayo voorgelegd. De eisen waren voor de Zoeloeregering onaanvaardbaar en toen het ultimatum niet werd ingewilligd, begon Groot-Brittannië de oorlog.
De Britse troepen trokken Zululand binnen.
Aan Britse zijde bestond er aanvankelijk veel vertrouwen in een snelle overwinning. Het Britse leger was immers een van de machtigste militaire organisaties ter wereld.
Maar op 22 januari 1879 gebeurde iets wat niemand in Londen of bij de Britse bevelhebbers op die schaal had verwacht.
Bij Isandlwana werd een groot Brits legeronderdeel vernietigend verslagen door het Zoeloeleger.
Het is een van de beroemdste nederlagen uit de geschiedenis van het Britse leger.
Isandlwana
De Slag bij Isandlwana is ook vanuit militair oogpunt bijzonder interessant.
De Britse troepen beschikten over moderne geweren, artillerie en een goed georganiseerde logistieke structuur. Toch wisten de Zoeloes hun numerieke overwicht en tactische organisatie effectief te gebruiken.
Het Britse kamp was onvoldoende verdedigd en de troepen werden geconfronteerd met een massale aanval die zich over een breed front ontwikkelde.
De Zoeloes maakten gebruik van de traditionele tactiek waarbij verschillende delen van het leger de vijand frontaal onder druk zetten terwijl andere eenheden probeerden de flanken te omsingelen.
De Britse verdediging stortte uiteindelijk in.
Het resultaat was desastreus.
Honderden Britse en koloniale militairen kwamen om.
De nederlaag veroorzaakte in Groot-Brittannië grote opschudding.
Het idee dat een Europees imperium door een Afrikaans leger zo'n zware nederlaag kon worden toegebracht, had een enorme symbolische impact.
Maar Isandlwana was slechts één veldslag in een oorlog die nog niet voorbij was.
Rorke's Drift
Op dezelfde dag vond een tweede gevecht plaats dat een totaal ander beeld gaf.
Bij Rorke's Drift, een voormalige missiepost die door de Britten als bevoorradingspost en hospitaal werd gebruikt, verdedigde een relatief kleine groep Britse militairen zich tegen een veel grotere Zoeloemacht.
De verdedigers hielden stand.
De verdediging werd later in Groot-Brittannië enorm verheerlijkt en groeide uit tot een van de bekendste voorbeelden van militaire moed uit het Victoriaanse tijdperk.
Een groot aantal Britse onderscheidingen werd toegekend aan de verdedigers.
Rorke's Drift en Isandlwana werden daardoor bijna onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De ene slag werd een verhaal van Britse nederlaag.
De andere van Britse overwinning.
Maar wanneer je beide gebeurtenissen naast elkaar bekijkt, zie je vooral hoe onzeker oorlog kan zijn.
Op dezelfde dag, in hetzelfde conflict en relatief dicht bij elkaar, konden twee totaal verschillende uitkomsten ontstaan.
De betekenis van de Anglo-Zuluoorlog
De Anglo-Zuluoorlog eindigde uiteindelijk met de nederlaag van het Zoeloekoninkrijk.
Maar het conflict had grote gevolgen voor de verdere politieke ontwikkeling van zuidelijk Afrika.
Het Britse Rijk had opnieuw laten zien dat het bereid was militaire macht te gebruiken om zijn belangen in de regio te verdedigen en uit te breiden.
Voor het Zoeloekoninkrijk betekende de oorlog het einde van zijn onafhankelijkheid als sterke regionale macht.
Voor de Britse militaire geschiedenis werden Isandlwana en Rorke's Drift blijvende symbolen.
En voor Zuid-Afrika werd de oorlog onderdeel van een steeds groter geheel van koloniale expansie en militaire conflicten.
Wanneer je in een museum naar wapens of uniformen uit deze periode kijkt, kijk je dus eigenlijk naar objecten uit een tijd waarin de politieke kaart van Zuid-Afrika nog volledig in beweging was.
De Boerenrepublieken
Terwijl de Britse invloed in Natal en de Kaap toenam, ontstonden in het binnenland onafhankelijke Boerenrepublieken.
De Zuid-Afrikaansche Republiek, ook bekend als de Transvaal, en de Oranje Vrijstaat ontwikkelden zich tot zelfstandige politieke entiteiten.
Deze republieken waren grotendeels gebaseerd op Afrikaner/Boerensamenlevingen, maar ook hier is het belangrijk om het verleden niet te simplificeren. De bevolking bestond uit verschillende groepen en de politieke en economische structuren waren complex.
De ontdekking van goud in de Transvaal veranderde alles.
Goud verandert Zuid-Afrika
In 1886 werd goud ontdekt aan de Witwatersrand.
Dat moment zou uiteindelijk leiden tot de explosieve groei van Johannesburg.
Binnen enkele jaren veranderde een gebied dat daarvoor vooral uit landbouwgrond bestond in een van de belangrijkste mijnregio's ter wereld.
Duizenden mensen trokken naar de Witwatersrand.
Kapitaal stroomde binnen.
Buitenlandse investeerders arriveerden.
Mijnbedrijven groeiden.
Spoorwegen werden aangelegd.
En Johannesburg ontwikkelde zich razendsnel.
Maar de ontdekking van goud had ook politieke gevolgen.
Groot-Brittannië had al lang belangstelling voor de Transvaal vanwege zijn strategische positie, maar de enorme rijkdom die door de goudmijnen werd gegenereerd, maakte de republiek nog belangrijker.
De economische belangen werden steeds groter.
Daarmee groeide ook de politieke spanning tussen de Britse regering en de Boerenrepublieken.
Jameson Raid
Een van de gebeurtenissen die de spanningen verder deed oplopen was de Jameson Raid van 1895–1896.
Een groep gewapende mannen onder leiding van Leander Starr Jameson probeerde vanuit Bechuanaland de Transvaal binnen te vallen in de hoop een opstand van voornamelijk Britse uitlanders in Johannesburg te ondersteunen.
De opstand kwam niet zoals gehoopt van de grond.
Jameson en zijn mannen werden verslagen en gevangengenomen.
De mislukte inval had grote diplomatieke gevolgen.
In de Transvaal groeide het wantrouwen tegenover Groot-Brittannië.
In Groot-Brittannië werd de gebeurtenis aanvankelijk door sommigen als een avontuurlijke onderneming gezien, maar internationaal veroorzaakte ze veel kritiek.
De verhouding tussen de Britse regering en de regering van Paul Kruger werd steeds slechter.
En ondertussen groeide de economische betekenis van de goudvelden.
De weg naar de Tweede Anglo-Boerenoorlog
Tegen het einde van de negentiende eeuw waren de spanningen zo groot geworden dat een nieuwe oorlog bijna onvermijdelijk leek.
De Britse regering wilde haar invloed in zuidelijk Afrika verder uitbreiden.
De regering van de Zuid-Afrikaansche Republiek wilde haar onafhankelijkheid behouden.
De kwestie van de zogenaamde Uitlanders, vooral Britse en andere buitenlandse arbeiders in de goudvelden, werd een belangrijk politiek twistpunt.
Maar onder de oppervlakte lagen grotere vragen.
Wie zou de politieke macht in Zuid-Afrika bezitten?
Wie zou controle hebben over de economische rijkdom van de regio?
En zou het Britse Rijk erin slagen de verschillende gebieden van zuidelijk Afrika onder één politiek systeem te brengen?
In 1899 brak de Tweede Anglo-Boerenoorlog uit.
Wat aanvankelijk door sommige Britse beleidsmakers als een relatief korte oorlog werd beschouwd, zou uitgroeien tot een langdurig en bijzonder hard conflict.
De Tweede Anglo-Boerenoorlog
De Boeren beschikten niet over een klassiek Europees beroepsleger.
Hun militaire systeem was grotendeels gebaseerd op commando's waarin burgers als gewapende strijders konden worden opgeroepen.
Veel Boeren waren uitstekende ruiters en schutters en waren gewend aan het terrein waarin ze vochten.
In de eerste fase van de oorlog boekten zij belangrijke successen.
Britse garnizoenen werden belegerd.
Boereneenheden vielen Britse posities aan.
En verschillende Britse militaire expedities liepen aanvankelijk slecht af.
De Britten beseften al snel dat de oorlog veel moeilijker zou worden dan verwacht.
Grote Britse versterkingen werden naar Zuid-Afrika gestuurd.
Uiteindelijk werd het Britse leger enorm uitgebreid.
De oorlog veranderde vervolgens van karakter.
Van conventionele oorlog naar guerrilla
Na de Britse verovering van belangrijke steden en gebieden veranderden de Boeren hun strategie.
Onder leiding van commandanten zoals Christiaan de Wet, Louis Botha en Koos de la Rey gingen zij steeds meer over tot guerrillaoorlogvoering.
Kleine mobiele commando's vielen spoorwegen, bevoorradingslijnen en geïsoleerde Britse eenheden aan.
Daarbij gebruikten zij hun kennis van het terrein en hun mobiliteit.
Voor de Britten betekende dit dat het niet voldoende was om steden en spoorlijnen te bezetten.
De tegenstander moest daadwerkelijk worden opgespoord.
Dat bleek bijzonder moeilijk.
De Britse reactie werd steeds harder.
De verschroeide aarde
Een van de meest controversiële onderdelen van de oorlog was de Britse scorched earth policy, de tactiek van de verschroeide aarde.
Boerderijen werden vernietigd om de Boerencommando's hun bevoorrading en schuilplaatsen te ontnemen.
Oogsten werden vernietigd.
Vee werd in beslag genomen.
En duizenden burgers werden uit hun omgeving weggevoerd.
Het doel was duidelijk: de guerrillastrijders moesten worden afgesneden van de burgerbevolking die hen voedsel, informatie en andere steun kon bieden.
Maar de humanitaire gevolgen waren enorm.
De concentratiekampen
Een van de donkerste hoofdstukken van de oorlog waren de Britse concentratiekampen.
Boerenvrouwen en kinderen werden samen met andere burgers in kampen ondergebracht.
De omstandigheden waren vaak zeer slecht.
Er was onvoldoende voedsel, slechte sanitaire infrastructuur en een gebrek aan medische voorzieningen.
Duizenden mensen, vooral kinderen, stierven.
Ook zwarte Zuid-Afrikanen werden tijdens de oorlog in afzonderlijke kampen ondergebracht, een aspect van de geschiedenis dat lange tijd veel minder aandacht kreeg dan de Boerenkampen.
Dat is belangrijk, want het laat opnieuw zien hoe complex de geschiedenis van Zuid-Afrika is.
De oorlog was niet uitsluitend een strijd tussen Britten en Boeren.
De bredere bevolking van het land werd op verschillende manieren door het conflict getroffen.
Een oorlog die Zuid-Afrika veranderde
De Tweede Anglo-Boerenoorlog eindigde in 1902 met het Verdrag van Vereeniging.
De Boerenrepublieken verloren hun onafhankelijkheid.
Maar de oorlog had de politieke ontwikkeling van Zuid-Afrika niet beëindigd.
Integendeel.
De gevolgen zouden nog decennia voelbaar blijven.
Het conflict had een diepe invloed op de Afrikaner-identiteit en op de politieke beweging die later zou uitgroeien tot een dominante kracht in Zuid-Afrika.
Tegelijkertijd had de oorlog ook gevolgen voor de verhouding tussen verschillende bevolkingsgroepen.
De politieke ordening die daarna ontstond, zou uiteindelijk leiden tot de vorming van de Union of South Africa in 1910.
Daarmee werden verschillende Britse kolonies en voormalige Boerenrepublieken samengebracht in één staat binnen het Britse Rijk.
De militaire geschiedenis van de negentiende eeuw had daarmee rechtstreeks geleid naar de politieke wereld waarin Zuid-Afrika aan de twintigste eeuw begon.
Van Boerencommando naar moderne krijgsmacht
Wanneer je de ontwikkeling van het militaire systeem van Zuid-Afrika bekijkt, zie je in deze periode een belangrijke overgang.
De negentiende eeuw werd gekenmerkt door koloniale legers, lokale milities, commando's en Afrikaanse koninkrijken met hun eigen militaire structuren.
De twintigste eeuw zou steeds meer worden gekenmerkt door een moderne staat met georganiseerde strijdkrachten.
Dat betekende professionalisering.
Betere communicatie.
Modernere wapens.
Een steeds belangrijkere rol voor transport en logistiek.
En uiteindelijk de introductie van militaire luchtvaart.
Maar voordat Zuid-Afrika die moderne militaire wereld binnenging, moest er nog een andere belangrijke ontwikkeling plaatsvinden.
De verschillende politieke gebieden van zuidelijk Afrika moesten worden samengebracht in één staat.
Dat gebeurde in 1910.
En slechts vier jaar later zou die nieuwe staat worden geconfronteerd met een gebeurtenis die de hele wereld op zijn kop zette.
De Eerste Wereldoorlog.
Voor Zuid-Afrika zou die oorlog een nieuw hoofdstuk openen.
Het land zou opnieuw moeten beslissen aan welke kant het stond.
En opnieuw zouden Zuid-Afrikaanse militairen duizenden kilometers van huis terechtkomen.
Dat is het verhaal waarmee we in deel 3 verdergaan: Zuid-Afrika en de Eerste Wereldoorlog, van de politieke verdeeldheid binnen de nieuwe Unie tot Duits Zuidwest-Afrika, Oost-Afrika, het Westfront en uiteindelijk de bloedige slagvelden van de Somme en Delville Wood.
Zuid-Afrika in de Eerste Wereldoorlog
Wanneer men vandaag door de zalen van het DITSONG National Museum of Military History in Johannesburg loopt, is het gemakkelijk om de Eerste Wereldoorlog vooral te associëren met de grote Europese slagvelden: Vlaanderen, de Somme, Verdun, Ieper en de loopgraven van Noord-Frankrijk. Toch vertelt de Zuid-Afrikaanse collectie een veel breder verhaal. Voor Zuid-Afrika begon de oorlog niet in Europa, maar in een land dat amper vier jaar daarvoor als Unie was ontstaan. De jonge Unie van Zuid-Afrika bevond zich in 1914 in een merkwaardige en bijzonder kwetsbare positie. Het land was politiek verenigd, maar de herinneringen aan de Anglo-Boerenoorlog waren nog vers. Veel Afrikaners hadden nog maar nauwelijks vrede gesloten met het Britse Rijk, en nu werd van Zuid-Afrika verwacht dat het opnieuw aan de zijde van Groot-Brittannië ten oorlog zou trekken.
Dat gegeven is essentieel om de Zuid-Afrikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog te begrijpen. Het was geen vanzelfsprekend verhaal van nationale eenheid. Integendeel. De beslissing om aan de oorlog deel te nemen zou binnen de jonge Unie voor een van de ernstigste politieke crisissen uit haar vroege geschiedenis zorgen. Tegelijk zou de oorlog Zuid-Afrika voor het eerst op grote schaal buiten zijn eigen grenzen brengen en ervoor zorgen dat Zuid-Afrikaanse militairen zouden vechten in Afrika, in het Midden-Oosten en aan het westelijk front in Europa. De oorlog zou bovendien nieuwe militaire structuren, nieuwe herinneringen en nieuwe politieke verhoudingen voortbrengen. Sommige van die gevolgen zouden tientallen jaren later nog voelbaar zijn.
Een jonge Unie in een oude oorlog
Toen de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 uitbrak, bestond de Unie van Zuid-Afrika nog maar vier jaar. De Unie was in 1910 gevormd door de vereniging van de voormalige Britse kolonies en de voormalige Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat. Louis Botha, zelf een voormalige Boerencommandant uit de oorlog tegen de Britten, was eerste minister. Naast hem stond een andere voormalige Boerenleider, Jan Smuts. Het was een opmerkelijke politieke ontwikkeling: mannen die nog geen vijftien jaar eerder tegen het Britse leger hadden gevochten, waren nu verantwoordelijk voor het bepalen van de militaire koers van een land dat nog altijd onderdeel was van het Britse Rijk.
Toen Groot-Brittannië Duitsland de oorlog verklaarde, werd de Unie daardoor automatisch onderdeel van het bredere Britse imperiale oorlogssysteem. De Zuid-Afrikaanse regering koos ervoor de Britse oorlogsinspanning actief te steunen. Daarbij speelde niet alleen loyaliteit aan Groot-Brittannië een rol. Botha en Smuts zagen ook kansen om de positie van de jonge Unie in zuidelijk Afrika te versterken. Een van de eerste Britse verzoeken aan Zuid-Afrika was namelijk om de Duitse kolonie German South West Africa binnen te vallen, het gebied dat vandaag Namibië vormt.
Die beslissing moet men bekijken tegen de achtergrond van de regionale situatie. Duitsland bezat in Afrika verschillende koloniale gebieden, waaronder German South West Africa en German East Africa. Voor de Britse en Zuid-Afrikaanse regering vormden deze gebieden mogelijke strategische bedreigingen voor de Britse verbindingen en belangen in Afrika. Voor de Zuid-Afrikaanse regering bood de oorlog tegelijkertijd de mogelijkheid om haar invloed over het aangrenzende Duitse gebied uit te breiden.
Voor Botha en Smuts leek een militaire operatie tegen German South West Africa daarom logisch. Voor een aanzienlijk deel van de Afrikanerbevolking lag dat echter heel anders.
De herinnering aan de oorlog van 1899 tot 1902 was nog bijzonder levendig. Families hadden mannen verloren, boerderijen waren verwoest en duizenden mensen waren tijdens de Britse vernietigingscampagne en de concentratiekampen omgekomen. De gedachte dat voormalige Boeren nu opnieuw voor het Britse Rijk zouden vechten, en dan nog tegen een Europees land dat door sommige Afrikaners als natuurlijke tegenstander van Groot-Brittannië werd gezien, was voor velen moeilijk te aanvaarden.
De tegenstelling werd zo groot dat er in 1914 een gewapende opstand uitbrak. De zogenaamde Maritz-rebellie, of Afrikaner Rebellion, werd onder meer gedragen door voormalige Boerencommandanten zoals Christiaan de Wet en Manie Maritz. De regering van Botha moest eerst deze binnenlandse crisis onder controle brengen voordat zij haar volledige aandacht aan de militaire campagne tegen Duitsland kon besteden. De opstand werd uiteindelijk in het begin van 1915 neergeslagen.
Het is een belangrijk detail omdat het duidelijk maakt dat Zuid-Afrika in 1914 niet als één blok de oorlog binnenging. De Eerste Wereldoorlog speelde zich niet alleen af tussen geallieerde en centrale mogendheden. Binnen Zuid-Afrika zelf bestond er een diepe discussie over identiteit, loyaliteit en de vraag waar de jonge staat eigenlijk voor stond.
De oorlog komt naar Afrika
De eerste grote militaire onderneming van Zuid-Afrika vond plaats in het eigen continent. De campagne tegen German South West Africa begon uiteindelijk in 1914 en werd in 1915 tot een grootschalige militaire operatie uitgebouwd. De omstandigheden waren totaal anders dan die aan het Europese front. Er waren geen kilometerslange loopgravenstelsels zoals aan de Somme en geen dicht opeengepakte industriële slagvelden. In plaats daarvan moesten Zuid-Afrikaanse eenheden enorme afstanden afleggen door een droog en moeilijk terrein, waarbij water, transport en bevoorrading minstens zo belangrijk waren als de directe confrontatie met de vijand.
De Duitse koloniale strijdkrachten waren relatief klein in vergelijking met de legers die later in Europa tegenover elkaar zouden staan, maar zij konden gebruikmaken van het terrein en van de enorme afstanden. Voor de Zuid-Afrikanen betekende dit dat mobiliteit van groot belang was. Cavalerie, paarden, transporteenheden en logistiek speelden een belangrijke rol. De campagne werd uiteindelijk in juli 1915 beëindigd met de Duitse overgave.
Voor Zuid-Afrika had dit een veel grotere betekenis dan alleen een militaire overwinning. German South West Africa kwam onder Zuid-Afrikaans bestuur en zou vervolgens decennialang een centrale rol spelen in de regionale geschiedenis. Wat in 1915 begon als een militaire campagne tijdens een Europese oorlog, groeide uit tot een politieke kwestie die tot ver in de twintigste eeuw zou doorwerken en uiteindelijk nauw verbonden zou raken met de geschiedenis van Namibië en de latere Zuid-Afrikaanse grensoorlog.
Het is precies dit soort historische verbindingen die een militair museum interessant maken. Een uniform of geweer uit 1915 is niet alleen een voorwerp uit een oude oorlog. Het kan het begin zijn van een verhaal dat doorloopt via koloniale politiek, mandaatbestuur, de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en de conflicten in zuidelijk Afrika.
Jan Smuts en de oorlog in Oost-Afrika
Na de campagne in German South West Africa werd Zuid-Afrika verder betrokken bij de oorlog in Afrika. Jan Smuts kreeg een belangrijke militaire rol in de campagne tegen de Duitse strijdkrachten in German East Africa, het gebied dat grotendeels overeenkomt met het huidige Tanzania. In maart 1916 trokken Zuid-Afrikaanse troepen onder zijn leiding het gebied binnen.
Ook hier was de aard van de oorlog totaal verschillend van het Europese front. De afstanden waren enorm, het terrein was moeilijk en het klimaat en de tropische ziekten vormden een voortdurende bedreiging. Een leger kon in dergelijke omstandigheden niet eenvoudigweg vertrouwen op artillerie en infanterie. Bevoorrading werd een permanente uitdaging. Wegen en spoorlijnen waren beperkt en grote aantallen mensen waren nodig om materiaal, voedsel, munitie en andere voorraden te verplaatsen.
De oorlog in Oost-Afrika was bovendien in belangrijke mate afhankelijk van Afrikaanse arbeidskrachten en ondersteunend personeel. Dat aspect wordt in populaire Europese voorstellingen van de Eerste Wereldoorlog vaak vergeten. Militaire campagnes in Afrika konden alleen worden gevoerd dankzij enorme aantallen dragers, arbeiders, scouts en andere ondersteunende krachten. Hun bijdrage was vaak essentieel, maar hun plaats in de officiële militaire herinnering bleef lange tijd veel minder zichtbaar dan die van Europese soldaten.
Ook dat vormt een belangrijk onderdeel van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Verschillende bevolkingsgroepen werden op verschillende manieren bij de oorlog betrokken, maar de politieke en militaire structuren van die tijd waren sterk raciaal georganiseerd. Zuid-Afrika was immers geen moderne democratische samenleving. De raciale ongelijkheid die later onder de apartheid een formeel en uitgebreid systeem zou worden, bestond al lang daarvoor.
Dat betekent dat men voorzichtig moet zijn met het spreken over "het Zuid-Afrikaanse leger" alsof iedereen dezelfde positie had. Wie in welke eenheid kon dienen, welke functie iemand kreeg, of iemand bewapend mocht worden en welke militaire status iemand had, werd in belangrijke mate bepaald door ras en door de politieke verhoudingen van die tijd.
Van Afrika naar Europa
Hoewel de oorlog in Afrika voor Zuid-Afrika van grote strategische betekenis was, werd de Zuid-Afrikaanse deelname uiteindelijk ook zichtbaar op het belangrijkste Europese slagveld. Zuid-Afrikaanse vrijwilligers en militairen werden naar Europa gestuurd en vormden onder meer de South African Infantry Brigade.
Voor veel van deze mannen moet de overgang enorm zijn geweest. Zij kwamen uit een land van uitgestrekte landschappen, boerderijen, steden die nog maar kort daarvoor sterk gegroeid waren en een samenleving die zelf nog bezig was de gevolgen van de Anglo-Boerenoorlog te verwerken. Nu kwamen zij terecht in Noord-Frankrijk, in een landschap dat door artillerie, loopgraven en machinegeweren vrijwel onherkenbaar was geworden.
De Eerste Wereldoorlog was tegen die tijd een industriële oorlog geworden. De romantische voorstelling van soldaten die in formatie over een slagveld oprukken, maakte plaats voor een werkelijkheid waarin machinegeweren, zware artillerie, prikkeldraad, loopgraven en chemische wapens het karakter van de oorlog bepaalden. Een soldaat kon soms dagenlang nauwelijks de vijand zien en toch voortdurend onder vuur liggen.
Het was in deze omgeving dat Zuid-Afrikaanse militairen hun zwaarste verliezen zouden lijden.
Delville Wood
Een van de bekendste hoofdstukken uit de militaire geschiedenis van Zuid-Afrika is de strijd om Delville Wood in juli 1916. Het bos lag nabij Longueval in Noord-Frankrijk en maakte deel uit van de enorme Slag aan de Somme. De South African Infantry Brigade kreeg de opdracht om het bos in te nemen en vervolgens vast te houden.
Op papier was het doel duidelijk. In werkelijkheid bleek Delville Wood een uiterst gevaarlijke positie. Duitse troepen hadden het terrein versterkt met loopgraven, schuilplaatsen, machinegeweerposities en artillerie. De Zuid-Afrikaanse brigade trok in juli 1916 het bos binnen en kwam vervolgens terecht in een strijd die dagenlang voortduurde onder zware Duitse tegenaanvallen en een intens artilleriebombardement.
Op 15 juli begon de beslissende fase. De brigade, die uit ruim drieduizend mannen bestond, werd het bos ingestuurd. Wat daarna gebeurde, behoort tot de zwaarste ervaringen uit de militaire geschiedenis van Zuid-Afrika. Na zes dagen en vijf nachten van gevechten kon de brigade worden afgelost. Slechts ongeveer 750 mannen waren nog beschikbaar voor de appèl. De rest was gedood, gewond of vermist.
Het is verleidelijk om Delville Wood uitsluitend als een verhaal van heldendom te vertellen. Dat is ook hoe de slag lange tijd in de nationale herinnering werd voorgesteld. Maar wanneer men het verhaal vanuit een hedendaags perspectief bekijkt, is vooral de enorme menselijke kost opvallend. Een militaire overwinning of het vasthouden van een stuk terrein krijgt een heel andere betekenis wanneer men beseft hoeveel jonge mannen daarvoor hun leven verloren of voor de rest van hun leven gewond raakten.
De Zuid-Afrikaanse brigade had het bos ingenomen, maar de prijs was verschrikkelijk hoog.
Delville Wood werd daardoor een van de belangrijkste symbolen van de Zuid-Afrikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog. Het werd een plaats van herinnering, niet alleen voor de militairen die er stierven, maar ook voor de samenleving die hen naar Europa had gestuurd.
In 1926 werd het Zuid-Afrikaanse nationale monument bij Delville Wood onthuld. Daarmee werd de plaats onderdeel van een veel grotere herinneringscultuur die de Eerste Wereldoorlog in Zuid-Afrika een blijvende betekenis gaf.
Wanneer men in een museum naar een uniform, helm, medaille of geweer uit deze periode kijkt, is het daarom interessant om Delville Wood niet alleen als een historische veldslag te zien. Achter elk militair object zit een mens. Achter iedere naam op een monument zit een familie. En achter iedere militaire eenheid zit een gemeenschap die de gevolgen van het verlies moest dragen.
De SS Mendi en de andere oorlogsslachtoffers
Een ander verhaal dat een bijzondere plaats inneemt in de Zuid-Afrikaanse herinnering aan de Eerste Wereldoorlog is dat van de SS Mendi. Het schip zonk in februari 1917 in het Kanaal nadat het in aanvaring was gekomen met een ander schip. Aan boord bevonden zich honderden leden van het South African Native Labour Contingent.
De mannen waren niet als reguliere gevechtstroepen naar Europa gestuurd. Zij maakten deel uit van de enorme ondersteunende arbeidsorganisatie die nodig was om de geallieerde oorlogsinspanning draaiende te houden. Zij werden ingezet voor werkzaamheden achter het front, waar zij onder meer hielpen bij het verplaatsen van materiaal en andere logistieke taken.
Het verlies van de Mendi werd een van de grootste maritieme tragedies uit de Zuid-Afrikaanse geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Meer dan zeshonderd Zuid-Afrikaanse mannen kwamen om.
Het verhaal is belangrijk omdat het opnieuw duidelijk maakt dat oorlog niet alleen wordt gevoerd door mannen die met geweren aan het front staan. Legers hebben voedsel nodig, wegen, spoorlijnen, transport, medische verzorging, materiaal, opslagplaatsen en duizenden andere vormen van ondersteuning. Zonder die infrastructuur kan geen enkel leger functioneren.
Tegelijk toont de geschiedenis van de Mendi opnieuw de ongelijke positie van zwarte Zuid-Afrikanen binnen de Unie. Zij droegen bij aan de oorlogsinspanning, maar hun militaire status en behandeling waren fundamenteel anders dan die van witte Zuid-Afrikaanse militairen. Juist daarom is het belangrijk dat een museum als DITSONG niet alleen de klassieke militaire heldenverhalen vertelt, maar ook de bredere sociale geschiedenis achter de oorlog.
Wie vocht er eigenlijk voor Zuid-Afrika?
De omvang van de Zuid-Afrikaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog was aanzienlijk. Tienduizenden mensen uit Zuid-Afrika werden op verschillende manieren bij de oorlog betrokken. Witte Zuid-Afrikanen dienden in militaire eenheden, terwijl zwarte Zuid-Afrikanen en andere bevolkingsgroepen onder meer in niet-gevechtsfuncties en ondersteunende eenheden werden ingezet. Daarnaast waren er Zuid-Afrikanen die zich rechtstreeks bij Britse eenheden aansloten.
Ook de luchtvaart begon een rol te spelen. Zuid-Afrikanen dienden in de Royal Flying Corps en later de Royal Air Force. De Eerste Wereldoorlog was immers ook de oorlog waarin militaire luchtvaart zich razendsnel ontwikkelde. Vliegtuigen werden eerst gebruikt voor verkenning, maar al snel ook voor artilleriewaarneming, luchtgevechten en bombardementen.
Wanneer men vandaag in het DITSONG-museum tussen de vliegtuigen en andere grote objecten staat, is het interessant om zich te realiseren hoe snel militaire technologie in slechts enkele jaren veranderde. Aan het begin van de oorlog was het vliegtuig nog een relatief nieuw en kwetsbaar toestel. Tegen het einde van de oorlog was luchtmacht een wezenlijk onderdeel van moderne oorlogsvoering geworden.
Hetzelfde gold voor communicatie, transport en geneeskunde. De oorlog versnelde de ontwikkeling van radioverbindingen, veldhospitalen, ambulances, medische chirurgie en logistieke systemen. Een moderne krijgsmacht was niet langer alleen een verzameling soldaten met wapens. Zij werd een complex systeem waarin duizenden verschillende functies samenkwamen.
De oorlog en de vorming van een Zuid-Afrikaanse identiteit
Misschien is dit wel een van de interessantste aspecten van de Eerste Wereldoorlog voor de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. De oorlog hielp mee aan het ontstaan van een Zuid-Afrikaans militair zelfbeeld, maar tegelijkertijd maakte hij de tegenstellingen binnen de samenleving duidelijker.
Louis Botha en Jan Smuts waren na de oorlog internationaal belangrijke figuren geworden. Zuid-Afrikaanse militairen hadden gevochten in Afrika en Europa en de Unie had een grotere rol gekregen binnen het Britse Rijk. Tegelijk bleef de vraag bestaan wat Zuid-Afrika precies moest zijn: een Britse dominion die nauw verbonden bleef met het Britse Rijk, of een zelfstandiger Afrikaner-georiënteerde staat?
Die discussie zou de komende decennia een steeds grotere rol spelen.
De politieke tegenstelling die tijdens de oorlog zichtbaar was geworden, verdween namelijk niet in 1918. Integendeel, zij zou zich verder ontwikkelen. De Afrikaner-nationalistische beweging groeide, de herinnering aan de Boerenoorlog bleef een belangrijke rol spelen en de verhouding tussen Engelstalige en Afrikaanssprekende blanke Zuid-Afrikanen bleef politiek gevoelig.
Daarbij kwam een andere en nog veel diepere tegenstelling: de overgrote meerderheid van de zwarte bevolking had geen politieke macht die vergelijkbaar was met die van de blanke bevolking. De oorlog veranderde die fundamentele ongelijkheid niet.
Daarom is het te eenvoudig om te zeggen dat de Eerste Wereldoorlog Zuid-Afrika als één natie dichter bij elkaar bracht. De oorlog versterkte bepaalde vormen van nationale identiteit, maar maakte ook zichtbaar wie binnen die identiteit wel en niet volledig werd opgenomen.
Van de loopgraven naar de volgende oorlog
Toen op 11 november 1918 de wapens aan het westelijk front zwegen, was Zuid-Afrika veranderd. De Unie had militair ervaring opgedaan buiten haar eigen grenzen. Zuid-Afrikaanse officieren hadden ervaring opgedaan in moderne oorlogvoering. De staat had geleerd hoe grote militaire expedities moesten worden georganiseerd en ondersteund. En een nieuwe generatie had oorlogservaring opgedaan die later opnieuw van betekenis zou worden.
Maar de Eerste Wereldoorlog had ook een veel groter gevolg. De wereld waarin Zuid-Afrika na 1918 terechtkwam, was fundamenteel anders dan die van 1914. Het Duitse koloniale rijk verdween, nieuwe machtsverhoudingen ontstonden en de toekomst van gebieden zoals German South West Africa werd onderdeel van een internationaal systeem van mandaten. Voor Zuid-Afrika betekende dit dat de militaire verovering van 1915 een langdurige politieke verantwoordelijkheid werd.
En ondertussen bleef Europa onrustig.
De vrede van 1918 betekende niet dat de problemen die de oorlog hadden veroorzaakt verdwenen waren. De economische, politieke en maatschappelijke gevolgen van de oorlog zouden nog tientallen jaren voelbaar blijven. In Zuid-Afrika kwamen daar de eigen interne politieke spanningen bovenop.
Slechts eenentwintig jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog zou Zuid-Afrika opnieuw voor de keuze staan of het zich in een Europese oorlog zou mengen.
Opnieuw zou die beslissing het land verdelen.
Opnieuw zou Jan Smuts een centrale rol spelen.
En opnieuw zouden Zuid-Afrikaanse militairen naar verre slagvelden vertrekken.
Deze keer zou de schaal nog veel groter zijn.
De Tweede Wereldoorlog zou Zuid-Afrika niet alleen militair sterker veranderen, maar ook een veel grotere invloed hebben op de ontwikkeling van zijn luchtmacht, landmacht en marine. Zuid-Afrikanen zouden vechten in Oost-Afrika, Noord-Afrika, op zee en uiteindelijk in Italië. Zuid-Afrikaanse vliegtuigen zouden boven de Middellandse Zee en Noord-Afrika opereren, terwijl Zuid-Afrikaanse grondtroepen tegenover Duitse en Italiaanse eenheden kwamen te staan.
De collectie van het DITSONG National Museum of Military History maakt die overgang naar de Tweede Wereldoorlog bijna tastbaar. Wie van de herinneringen aan 1914–1918 verdergaat naar de volgende zalen en collecties, ziet niet alleen andere uniformen en wapens. Men ziet de overgang naar een volledig nieuw tijdperk van oorlogvoering.
Een tijdperk waarin vliegtuigen, tanks, artillerie, radio, logistiek en industriële productie op een schaal zouden worden ingezet die tijdens de Eerste Wereldoorlog nog nauwelijks voorstelbaar was.
En daarin zou Zuid-Afrika opnieuw een belangrijke rol spelen.
Zuid-Afrika in de Tweede Wereldoorlog
Wanneer men de geschiedenis van Zuid-Afrika tijdens de Tweede Wereldoorlog bekijkt, wordt opnieuw duidelijk hoe nauw de geschiedenis van het land verbonden was met de grote internationale conflicten van de twintigste eeuw. Toch was de deelname van Zuid-Afrika aan deze oorlog allesbehalve vanzelfsprekend. Net zoals in 1914 bestond er binnen het land een diepe politieke verdeeldheid over de vraag of Zuid-Afrika überhaupt aan de oorlog moest deelnemen. Het verschil was echter dat de politieke omstandigheden in 1939 nog veel complexer waren geworden. De herinnering aan de Anglo-Boerenoorlog leefde nog steeds, Afrikaner-nationalisme had zich sterk ontwikkeld en binnen de blanke bevolking bestond een aanzienlijke sympathie voor neutraliteit, anti-Britse standpunten en in sommige gevallen zelfs voor Duitsland.
Toen Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel en Groot-Brittannië twee dagen later Duitsland de oorlog verklaarde, kwam de Zuid-Afrikaanse regering voor een moeilijke beslissing te staan. Omdat Zuid-Afrika als dominion deel uitmaakte van het Britse Rijk, was de internationale positie van het land nauw met die van Groot-Brittannië verbonden. Maar de Zuid-Afrikaanse regering was niet verplicht om zonder politieke discussie automatisch hetzelfde besluit te nemen.
Die discussie zou uitmonden in een van de belangrijkste politieke momenten uit de Zuid-Afrikaanse geschiedenis.
Een land dat opnieuw verdeeld raakt
De eerste minister in 1939 was J.B.M. Hertzog, leider van de Verenigde Partij. Hertzog wilde dat Zuid-Afrika neutraal bleef. Hij werd daarin gesteund door een aanzienlijk deel van de Afrikaner-nationalistische beweging. Zijn tegenstander binnen de Verenigde Partij was Jan Smuts, die veel nauwere banden met Groot-Brittannië verdedigde en ervan overtuigd was dat Duitsland een bedreiging vormde die uiteindelijk ook de veiligheid van Zuid-Afrika kon raken.
Op 4 september 1939 stemde het Zuid-Afrikaanse parlement over de kwestie. De meerderheid koos ervoor om Duitsland de oorlog te verklaren. Hertzog verloor daarmee zijn positie als eerste minister en Jan Smuts vormde een nieuwe regering.
Het was een buitengewoon symbolisch moment. Vijfentwintig jaar eerder had Smuts Zuid-Afrikaanse troepen naar German South West Africa en Oost-Afrika geleid. Nu werd hij opnieuw de man die Zuid-Afrika de oorlog in stuurde.
Maar de beslissing maakte de politieke tegenstelling binnen het land niet kleiner.
Integendeel. Een deel van de Afrikaner-nationalistische beweging bleef fel gekant tegen deelname aan de oorlog. Organisaties zoals de Ossewabrandwag groeiden tijdens de oorlog sterk en stonden vijandig tegenover de pro-Britse regering van Smuts. Sommige leden sympathiseerden met het Duitse nationaalsocialisme, hoewel het onjuist zou zijn om alle Afrikaner-nationalisten of alle tegenstanders van de oorlog eenvoudig als nazi-sympathisanten te bestempelen. De politieke werkelijkheid was veel ingewikkelder.
Voor veel tegenstanders van de oorlog was de kwestie in de eerste plaats verbonden met nationale identiteit. Zij wilden niet dat Zuid-Afrikanen opnieuw zouden sterven in een oorlog die zij zagen als een Europees conflict waarin Zuid-Afrika niets te zoeken had.
Voor Smuts was het antwoord anders. Hij zag de oorlog als een fundamentele strijd om de internationale machtsverhoudingen en de toekomst van het Britse Rijk, maar ook als een bedreiging voor de veiligheid van Zuid-Afrika zelf.
Zuid-Afrika koos dus opnieuw partij.
En opnieuw vertrokken Zuid-Afrikaanse militairen naar het buitenland.
Van een regionale strijdmacht naar een moderne oorlogsmachine
De Zuid-Afrikaanse strijdkrachten van 1939 waren niet te vergelijken met de machtige legers die later in de oorlog zouden ontstaan. Het land beschikte over beperkte militaire middelen en de modernisering van het leger was nog niet voltooid.
De oorlog veranderde dat in snel tempo.
Zuid-Afrika beschikte over verschillende voordelen die in een moderne oorlog van groot belang zouden blijken. Het land had een ontwikkelde mijnbouwsector, industriële capaciteit, havens, spoorwegen en een grote geografische positie aan een belangrijke zeeroute rond de zuidpunt van Afrika. Kaapstad, Durban, Port Elizabeth en andere havens kregen daardoor een strategische betekenis die veel verder ging dan de verdediging van het eigen grondgebied.
Schepen die rond Kaap de Goede Hoop voeren, hadden te maken met Duitse onderzeeboten. De zeeroute tussen de Atlantische en Indische Oceaan was essentieel voor de geallieerde oorlogsinspanning. Zuid-Afrika werd daardoor niet alleen een leverancier van soldaten, maar ook een belangrijk onderdeel van de logistieke infrastructuur van de geallieerden.
Tegelijk werd het Zuid-Afrikaanse leger uitgebreid en gemoderniseerd. Nieuwe eenheden werden gevormd, militairen kregen opleiding en materieel werd aangekocht of geproduceerd. De Zuid-Afrikaanse luchtmacht groeide bijzonder snel.
Voor een land dat in 1939 nog over een relatief kleine luchtmacht beschikte, was dat een enorme verandering.
De oorlog in Oost-Afrika
Een van de eerste grote campagnes waarin Zuid-Afrikaanse troepen actief werden ingezet, was opnieuw Afrika. Dit keer ging het om de strijd tegen de Italiaanse strijdkrachten in Italiaans Oost-Afrika.
Italië was in juni 1940 aan de zijde van Duitsland in de oorlog gekomen. In Afrika beschikte het over een groot koloniaal gebied dat onder meer het huidige Ethiopië, Eritrea en Somalië omvatte. Vanuit deze gebieden konden Italiaanse troepen Britse posities in Oost-Afrika bedreigen.
Voor de geallieerden was het daarom belangrijk om de Italiaanse aanwezigheid daar snel terug te dringen.
Zuid-Afrikaanse eenheden werden naar Oost-Afrika gestuurd en namen deel aan de geallieerde operaties tegen de Italianen. De geografische omstandigheden waren opnieuw bijzonder zwaar. Het ging om grote afstanden, ruwe terreinen, extreme temperaturen en een oorlog waarin logistiek vaak belangrijker was dan de klassieke confrontatie tussen twee legers.
Zuid-Afrikaanse troepen namen onder meer deel aan de campagne in Somaliland en Ethiopië. De geallieerde opmars leidde uiteindelijk tot de ineenstorting van de Italiaanse positie in Oost-Afrika.
Voor Zuid-Afrika was dit een belangrijk militair moment. Het leger had opnieuw bewezen dat het in staat was om buiten het eigen grondgebied grote operaties uit te voeren.
Maar de volgende campagne zou nog veel belangrijker worden.
Noord-Afrika en de opkomst van het mobiele oorlogvoeren
De oorlog in Noord-Afrika is waarschijnlijk het onderdeel van de Tweede Wereldoorlog waarin de Zuid-Afrikaanse militaire bijdrage het meest bekend is geworden.
Het Noord-Afrikaanse front was een oorlog van beweging. Anders dan aan het westelijk front tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er geen honderden kilometers aaneengesloten loopgraven. Legers trokken honderden kilometers door woestijngebieden, waarbij tanks, vrachtwagens, artillerie, vliegtuigen en bevoorradingskonvooien een centrale rol speelden.
Voor Zuid-Afrikaanse militairen betekende dit opnieuw een totaal andere oorlogservaring.
De strijd in Noord-Afrika draaide niet alleen om het veroveren van steden of terrein. Wie de woestijn beheerste, moest ook in staat zijn zijn troepen te bevoorraden. Brandstof, water, voedsel, munitie en reserveonderdelen moesten voortdurend over enorme afstanden worden aangevoerd.
Een tank zonder brandstof was waardeloos. Een artillerie-eenheid zonder munitie kon niet vechten. Een gewonde soldaat moest honderden kilometers kunnen worden geëvacueerd naar een veldhospitaal.
Het was een oorlog waarin logistiek letterlijk het verschil kon maken tussen overwinning en vernietiging.
Zuid-Afrikaanse eenheden werden onderdeel van het Britse Eighth Army en kwamen daardoor tegenover de Duitse Afrika Korps en Italiaanse troepen te staan.
De naam Erwin Rommel is onlosmakelijk verbonden met deze campagne. Zijn Duitse Afrika Korps werd bekend om zijn snelle manoeuvres en aanvallen in de woestijn. Aan geallieerde zijde ontstond een langdurige reeks veldslagen en tegenaanvallen waarin de frontlijn voortdurend verschoof.
Voor Zuid-Afrikaanse militairen werd Noord-Afrika een harde leerschool.
Tobruk
Een van de bekendste episodes uit de Noord-Afrikaanse campagne was de strijd om Tobruk.
De Libische havenstad was van groot strategisch belang. Wie Tobruk beheerste, beschikte over een belangrijke haven en een logistieke positie die het mogelijk maakte om troepen en voorraden in de woestijn te ondersteunen.
In 1941 werd Tobruk belegerd door Duitse en Italiaanse troepen. Zuid-Afrikaanse eenheden maakten deel uit van de geallieerde verdediging en later van de strijd om de positie te ontzetten.
De omstandigheden in Tobruk waren bijzonder zwaar. Soldaten leefden onder voortdurende dreiging van artillerie, luchtaanvallen en grondaanvallen. Water was schaars en de hitte was intens. Tegelijk moesten de verdedigers rekening houden met de voortdurende mogelijkheid van een doorbraak.
De strijd rond Tobruk werd daardoor een symbool van de harde werkelijkheid van de Noord-Afrikaanse oorlog.
Voor de Zuid-Afrikaanse militaire geschiedenis kreeg Tobruk bovendien een tragische dimensie. In juni 1942 werd de Zuid-Afrikaanse 2nd Infantry Division tijdens de val van Tobruk zwaar getroffen. Grote aantallen Zuid-Afrikaanse militairen werden krijgsgevangen genomen.
De val van Tobruk was een van de grootste geallieerde nederlagen in Noord-Afrika.
Voor de families in Zuid-Afrika betekende het dat duizenden mannen niet naar huis zouden terugkeren, maar als krijgsgevangenen naar kampen in Europa en elders werden gebracht.
Krijgsgevangenen
Het lot van krijgsgevangenen vormt een belangrijk maar soms onderbelicht onderdeel van de oorlogsgeschiedenis.
Een militair die gevangen werd genomen, bevond zich niet langer op het slagveld, maar dat betekende niet dat de oorlog voor hem voorbij was. Zuid-Afrikaanse krijgsgevangenen werden onder meer naar kampen in Italië en Duitsland gebracht. Sommigen zouden jaren in gevangenschap doorbrengen.
Voor de gevangenen zelf betekende dit een leven van onzekerheid, verveling, beperkte bewegingsvrijheid en voortdurende afhankelijkheid van de omstandigheden in het kamp.
Sommige krijgsgevangenen probeerden te ontsnappen. Anderen werkten binnen de mogelijkheden die hen werden geboden. Er ontstonden eigen gemeenschappen, met onderwijs, sport, toneel, muziek en religieuze activiteiten. Het menselijk vermogen om zelfs onder extreem moeilijke omstandigheden een vorm van dagelijks leven op te bouwen, komt in persoonlijke oorlogsmemoires vaak sterk naar voren.
Een militair museum kan dergelijke verhalen tastbaar maken. Een uniform, brief, medaille of persoonlijk voorwerp krijgt een andere betekenis wanneer men weet dat het ooit eigendom was van iemand die maanden of jaren als krijgsgevangene doorbracht.
El Alamein
In 1942 bereikte de oorlog in Noord-Afrika een beslissend stadium.
Na de Duitse opmars richting Egypte en het Suezkanaal werd de positie van de geallieerden steeds moeilijker. Het Suezkanaal was van enorm strategisch belang. Het vormde een van de belangrijkste verbindingen tussen Europa, de Middellandse Zee, het Midden-Oosten en Azië.
Als de Duitse en Italiaanse strijdkrachten erin zouden slagen Egypte te veroveren, zou dat ernstige gevolgen hebben voor de geallieerde oorlogsinspanning.
Bij El Alamein kwam de Duitse opmars tot stilstand.
De Tweede Slag bij El Alamein, die in oktober en november 1942 plaatsvond, betekende een belangrijk keerpunt in de Noord-Afrikaanse campagne. Onder leiding van generaal Bernard Montgomery wisten de geallieerde troepen de Duitse en Italiaanse strijdkrachten terug te dringen.
Zuid-Afrikaanse eenheden speelden hierbij een belangrijke rol.
De gevechten waren zwaar. Artillerie werd op grote schaal ingezet, mijnenvelden maakten beweging gevaarlijk en Duitse en Italiaanse eenheden boden hardnekkige weerstand. De overwinning betekende uiteindelijk dat de Asmogendheden zich uit Egypte en vervolgens steeds verder uit Noord-Afrika moesten terugtrekken.
Voor Zuid-Afrika was El Alamein een van de belangrijkste militaire prestaties van de Tweede Wereldoorlog.
Het was bovendien een moment waarop Zuid-Afrikaanse troepen zich bevonden in een internationale strijdmacht waarin Britten, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Indiërs, Zuid-Afrikanen, Fransen, Polen en militairen uit tal van andere landen samen vochten.
De oorlog was inmiddels volledig mondiaal geworden.
De Zuid-Afrikaanse luchtmacht
Terwijl het leger in Noord-Afrika en Oost-Afrika vocht, maakte de South African Air Force een enorme ontwikkeling door.
De luchtmacht werd tijdens de oorlog aanzienlijk uitgebreid en Zuid-Afrikaanse piloten, navigators, monteurs en andere personeelsleden dienden in verschillende oorlogstheaters. De SAAF opereerde niet alleen boven Zuid-Afrika, maar ook boven Oost- en Noord-Afrika, de Middellandse Zee en later Europa en Italië.
De ontwikkeling van de luchtmacht weerspiegelde de enorme technologische veranderingen van de oorlog.
Een modern oorlogsvliegtuig was een zeer complex systeem. Achter iedere piloot stonden technici, monteurs, bewapeningsspecialisten, meteorologen, radio-operators en logistieke medewerkers. Een vliegtuig dat op een missie vertrok, was het resultaat van een enorme keten van menselijke arbeid.
Dat maakt de vliegtuigen in het DITSONG-museum zo interessant.
Een bezoeker ziet misschien eerst vooral de vorm van een toestel: de vleugels, motoren, cockpit en bewapening. Maar achter die machine bevindt zich een hele wereld van techniek en mensen. Ieder toestel vertelt iets over de manier waarop oorlogvoering veranderde.
De luchtmacht speelde verschillende rollen. Verkenning, bevoorrading, grondaanvallen, luchtverdediging, escorte en bombardementen vereisten elk andere toestellen en vaardigheden.
Voor Zuid-Afrika betekende de oorlog dat het land een generatie ervaren militaire piloten en technici voortbracht die later opnieuw een belangrijke rol zouden spelen in de ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht.
De oorlog op zee
De geografische positie van Zuid-Afrika maakte ook de marine en de koopvaardij bijzonder belangrijk.
De route rond de Kaap was een van de belangrijkste verbindingen tussen de Atlantische en Indische Oceaan. Schepen vervoerden troepen, voedsel, brandstof, wapens en andere strategische goederen.
Duitse U-boten probeerden deze aanvoerlijnen te verstoren. De strijd op zee was daarom niet alleen een confrontatie tussen oorlogsschepen. Koopvaardijschepen, tankers en transportschepen waren eveneens essentiële onderdelen van de oorlog.
De Zuid-Afrikaanse marine werd tijdens de oorlog aanzienlijk uitgebreid en Zuid-Afrikaanse schepen en personeel namen deel aan konvooien, patrouilles en andere operaties.
Ook hier was het verschil tussen de klassieke voorstelling van oorlog en de werkelijkheid groot.
Een oorlog wordt vaak voorgesteld als een reeks veldslagen op land, maar zonder scheepvaart konden de geallieerde legers in Noord-Afrika en Europa niet worden bevoorraad. Zonder havens en spoorwegen konden wapens en voedsel niet verder worden vervoerd. Zonder mijnenvegers konden schepen bepaalde havens niet veilig binnenvaren.
De oorlog was een gigantisch logistiek systeem.
Zuid-Afrika was daar een belangrijk onderdeel van.
Een land achter het front
Misschien is een van de interessantste aspecten van de Zuid-Afrikaanse oorlogsinspanning wel wat er binnen het land zelf gebeurde.
Niet iedereen die bij de oorlog betrokken was, droeg een uniform.
Zuid-Afrikaanse fabrieken produceerden wapens, voertuigen, munitie, kleding, voedsel en andere militaire benodigdheden. De mijnbouwsector leverde grondstoffen. Spoorwegen vervoerden personeel en materiaal. Havens werden intensief gebruikt. Ziekenhuizen en medische instellingen werden uitgebreid.
Ook vrouwen speelden een belangrijke rol.
Zij namen functies op zich in ziekenhuizen, administratieve diensten, transport en andere ondersteunende organisaties. De oorlog veranderde daardoor het dagelijks leven van veel gezinnen, ook wanneer de mannen aan het front waren.
De oorlog werd dus niet alleen uitgevochten in Tobruk of El Alamein. Hij was ook aanwezig in de Zuid-Afrikaanse steden en dorpen, in fabrieken, spoorwegstations, havens en ziekenhuizen.
Dat bredere verhaal is belangrijk omdat het laat zien hoe een moderne oorlog vrijwel de volledige samenleving kan beïnvloeden.
De kwestie van ras
Geen enkele bespreking van de Zuid-Afrikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog is volledig zonder de raciale verhoudingen van die periode te behandelen.
Zuid-Afrika was in 1939 nog geen apartheidstaat in de latere formele betekenis van het woord. De National Party zou het apartheidsbeleid pas na de verkiezingsoverwinning van 1948 systematisch uitbouwen. Maar raciale segregatie en discriminatie bestonden al lang daarvoor.
Ook het leger was hierdoor sterk gesegregeerd.
Zwarte Zuid-Afrikanen konden niet eenvoudigweg dezelfde militaire rol opnemen als witte Zuid-Afrikanen. Er waren wel duizenden zwarte Zuid-Afrikanen die voor de oorlogsinspanning werden ingezet, maar hun functies, bewapening en militaire status werden door de bestaande raciale politiek beperkt.
Daarnaast werden zogenaamde Cape Coloured-eenheden en andere gekleurde Zuid-Afrikanen ingezet in verschillende ondersteunende en militaire functies. Hun geschiedenis vormt een belangrijk onderdeel van het bredere verhaal van Zuid-Afrika tijdens de oorlog.
Het is belangrijk om hierbij niet alleen te kijken naar wat mensen niet mochten doen, maar ook naar wat zij wél deden.
Duizenden mensen uit bevolkingsgroepen die politiek en sociaal werden achtergesteld, droegen bij aan de oorlogsinspanning. Zij werkten in transport, logistiek, onderhoud, medische ondersteuning en andere functies. Sommigen dienden onder gevaarlijke omstandigheden dicht bij het front.
Hun bijdrage werd na de oorlog echter niet altijd op dezelfde manier erkend als die van witte militairen.
Dat maakt de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Afrika tot een bijzonder complex historisch onderwerp. Het land vocht internationaal mee tegen regimes die raciale ideologieën en onderdrukking vertegenwoordigden, terwijl binnen Zuid-Afrika zelf een samenleving bestond waarin raciale ongelijkheid diep verankerd was.
Die tegenstelling zou na 1945 steeds moeilijker te negeren zijn.
De Italiaanse campagne
Na de overwinning in Noord-Afrika verschoof het geallieerde offensief verder naar Europa. In 1943 landden geallieerde troepen op Sicilië en vervolgens op het Italiaanse vasteland.
Ook Zuid-Afrikaanse eenheden werden bij de Italiaanse campagne betrokken.
Het terrein was opnieuw totaal anders dan de woestijn van Noord-Afrika. Bergachtige gebieden, rivieren, smalle wegen en sterk verdedigde posities maakten de opmars bijzonder moeilijk.
De Duitse strijdkrachten trokken zich terug naar zorgvuldig aangelegde verdedigingslinies. Voor de geallieerden betekende dit dat de snelle mobiele oorlog van Noord-Afrika plaatsmaakte voor een veel tragere strijd door bergachtig terrein.
Zuid-Afrikaanse troepen namen deel aan verschillende operaties tijdens deze campagne. Daarbij moesten zij niet alleen tegen Duitse eenheden vechten, maar ook omgaan met de moeilijke omstandigheden van het Italiaanse landschap.
Voor veel Zuid-Afrikaanse militairen betekende Italië bovendien de eerste kennismaking met Europa zelf. Een generatie die tot dan toe vooral Afrika kende, bevond zich nu in dorpen en steden met een geschiedenis die duizenden jaren terugging.
Maar voor hen was Italië geen toeristische bestemming.
Het was een slagveld.
Monte Cassino
Een van de bekendste plaatsen van de Italiaanse campagne was Monte Cassino.
De geallieerde opmars naar Rome werd gehinderd door Duitse verdedigingslinies en het bergachtige terrein rond Cassino. Het klooster van Monte Cassino lag op een strategische hoogte en werd het middelpunt van zware gevechten.
Zuid-Afrikaanse eenheden namen deel aan de geallieerde operaties in het gebied.
De strijd rond Monte Cassino was bijzonder zwaar. Het terrein beperkte de bewegingsvrijheid van tanks en voertuigen, terwijl Duitse verdedigers gebruikmaakten van natuurlijke hoogtes en versterkte posities.
De vernietiging van het historische klooster in februari 1944 blijft bovendien een controversieel onderdeel van de slag. Het geallieerde bombardement vernietigde het eeuwenoude gebouw, hoewel de Duitsers het klooster volgens de latere geschiedschrijving niet als gevechtspositie gebruikten vóór de bombardementen. Na de verwoesting werd het gebied wel onderdeel van de Duitse verdedigingsstellingen.
De strijd om Monte Cassino illustreert opnieuw hoe oorlog en geschiedenis voortdurend door elkaar lopen. Een militaire beslissing kan niet alleen mensenlevens kosten, maar ook cultureel erfgoed vernietigen dat generaties lang bestond.
Het einde van de oorlog
In 1944 en 1945 begonnen de geallieerde legers de Duitse strijdkrachten steeds verder terug te dringen. Zuid-Afrikaanse militairen bleven actief in verschillende rollen tot het einde van de oorlog.
Toen Duitsland in mei 1945 capituleerde en Japan enkele maanden later hetzelfde deed, keerde een groot deel van de Zuid-Afrikaanse militairen terug naar huis.
Maar Zuid-Afrika was opnieuw veranderd.
De oorlog had de militaire capaciteit van het land sterk vergroot. De luchtmacht was veel groter geworden. De marine had ervaring opgedaan met moderne oorlogsvoering. Het leger had gevechtservaring opgedaan in verschillende delen van de wereld. De industrie en infrastructuur waren verder ontwikkeld.
En er was een nieuwe generatie militairen ontstaan.
Sommigen zouden na de oorlog hun uniform definitief uittrekken. Anderen zouden later opnieuw dienst doen. Sommigen zouden betrokken raken bij de politiek. Anderen zouden in de militaire industrie, luchtvaart of burgerluchtvaart terechtkomen.
De oorlog had hun leven gevormd.
Een overwinning met een ingewikkelde erfenis
Voor de geallieerden was 1945 een overwinning. Nazi-Duitsland en zijn bondgenoten waren verslagen. De Holocaust en de enorme verwoestingen van de oorlog hadden echter duidelijk gemaakt hoe vernietigend moderne staten konden worden wanneer militaire macht, ideologie en industriële capaciteit samenkwamen.
Voor Zuid-Afrika was de overwinning eveneens belangrijk, maar de oorlog had de tegenstellingen binnen het land niet opgelost.
De politieke strijd tussen de verschillende Afrikaner bewegingen, Engelstalige Zuid-Afrikanen en andere bevolkingsgroepen bleef bestaan. De economische en sociale ongelijkheid was niet verdwenen. Integendeel, de jaren na de oorlog zouden leiden tot een verdere politieke verharding.
In 1948 won de National Party de verkiezingen.
Daarmee begon een nieuw hoofdstuk.
Het apartheidsbeleid zou in de daaropvolgende decennia steeds verder worden uitgebouwd. Tegelijkertijd veranderde de internationale positie van Zuid-Afrika. Het Britse Rijk begon na de oorlog snel te veranderen. Koloniale gebieden werden onafhankelijk en de wereld werd verdeeld tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
De Tweede Wereldoorlog had daardoor niet alleen een einde gemaakt aan een conflict.
Hij had een nieuwe wereld gecreëerd.
En Zuid-Afrika zou daarin opnieuw een bijzondere positie innemen.
De militaire geschiedenis van het land zou vanaf dat moment niet langer vooral worden bepaald door twee wereldoorlogen. De aandacht verschoof naar de Koude Oorlog, antikoloniale conflicten, de onafhankelijkheidsstrijd in Afrika en uiteindelijk de oorlogen in Angola en Zuidwest-Afrika.
Het Zuid-Afrikaanse leger zou uitgroeien tot een van de machtigste strijdkrachten op het Afrikaanse continent.
Maar die militaire macht zou ook nauw verbonden raken met een politiek systeem dat internationaal steeds meer onder druk kwam te staan.
De voertuigen, vliegtuigen en wapens die men vandaag in het DITSONG National Museum of Military History ziet, vertellen daarom niet alleen het verhaal van militaire ontwikkeling.
Ze vertellen ook het verhaal van een land dat na 1945 steeds verder verstrikt raakte in de tegenstellingen van de Koude Oorlog en de eigen apartheidsgeschiedenis.
Dat is het onderwerp van het volgende deel.
Van Korea tot Angola.
Van de opbouw van de SADF tot de grensoorlog.
En van een steeds modernere krijgsmacht tot de uiteindelijke overgang naar het Zuid-Afrika van na 1994.
Van Korea tot de Zuid-Afrikaanse grensoorlog
De Tweede Wereldoorlog had Zuid-Afrika achtergelaten met een veel grotere militaire ervaring dan het land vóór 1939 had bezeten. Maar de wereld waarin Zuid-Afrika na 1945 terechtkwam, was fundamenteel veranderd. Groot-Brittannië was niet langer de vanzelfsprekende wereldmacht, Europese koloniale rijken begonnen af te brokkelen en twee nieuwe supermachten bepaalden steeds meer de internationale politiek: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie.
De tegenstelling tussen die twee machtsblokken zou bekend worden als de Koude Oorlog. Voor veel Europese landen betekende dit een periode van politieke spanning, militaire voorbereiding en de dreiging van een nucleaire oorlog. Voor Afrika had de Koude Oorlog echter een andere dimensie. Terwijl Europese regeringen probeerden hun invloed te behouden en nieuwe onafhankelijke staten hun eigen weg zochten, begonnen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, rechtstreeks of via bondgenoten, invloed uit te oefenen op conflicten in Afrika, Azië en het Midden-Oosten.
Zuid-Afrika bevond zich daarbij in een bijzonder moeilijke positie.
Aan de ene kant werd het land steeds sterker internationaal geïsoleerd vanwege zijn apartheidsbeleid. Aan de andere kant beschouwde de Zuid-Afrikaanse regering zichzelf als een belangrijke anticommunistische macht in zuidelijk Afrika. Die overtuiging zou een steeds grotere invloed krijgen op de ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse strijdkrachten.
De periode tussen 1945 en 1994 kan daarom niet uitsluitend worden beschreven als de geschiedenis van een leger. Het is de geschiedenis van een leger dat opereerde binnen een zeer controversiële politieke orde en dat tegelijkertijd betrokken raakte bij een aantal van de belangrijkste conflicten van de Koude Oorlog in Afrika.
Zuid-Afrika na 1945
Toen de National Party in 1948 aan de macht kwam, begon de regering het apartheidsbeleid systematisch verder uit te bouwen. Rassenscheiding bestond al vóór 1948, maar apartheid bracht deze segregatie in een veel uitgebreider wettelijk en administratief systeem.
Voor de krijgsmacht had dit belangrijke gevolgen.
Het leger was geen instelling die buiten de samenleving stond. Het weerspiegelde de politieke structuur van het land. Functies, eenheden en mogelijkheden voor militaire dienst werden sterk beïnvloed door ras. Tegelijk werd de krijgsmacht door de regering gezien als een essentieel instrument om de territoriale integriteit en de politieke orde van Zuid-Afrika te beschermen.
De internationale omgeving maakte de situatie nog ingewikkelder.
In verschillende delen van Azië en Afrika wonnen antikoloniale en nationalistische bewegingen aan kracht. Europese koloniale machten trokken zich terug. Nieuwe staten ontstonden en sommige daarvan kozen voor socialistische of communistische politieke modellen.
Voor de Zuid-Afrikaanse regering was dit een bevestiging van haar overtuiging dat communistische invloed zich naar zuidelijk Afrika kon verspreiden.
Die redenering zou later een belangrijke rechtvaardiging worden voor militaire interventies buiten de eigen grenzen.
Maar voordat Zuid-Afrika rechtstreeks betrokken raakte bij de grote conflicten van zuidelijk Afrika, kwam er eerst een nieuwe oorlog aan de andere kant van de wereld.
Korea
In 1950 brak de Koreaanse Oorlog uit toen Noord-Koreaanse troepen Zuid-Korea binnenvielen. De Verenigde Naties besloten militaire steun te verlenen aan Zuid-Korea. Zuid-Afrika sloot zich bij de internationale coalitie aan.
De bijdrage van Zuid-Afrika was relatief klein in vergelijking met die van landen zoals de Verenigde Staten, maar militair gezien was zij bijzonder belangrijk.
De South African Air Force stuurde No. 2 Squadron naar Korea. De eenheid werd uitgerust met Amerikaanse P-51 Mustang-jachtvliegtuigen en later met andere toestellen. Zuid-Afrikaanse piloten voerden honderden operationele missies uit.
Voor de SAAF was Korea een belangrijke stap. Het was de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat Zuid-Afrikaanse militaire vliegtuigen daadwerkelijk in een grote internationale oorlog werden ingezet.
De omstandigheden waren bovendien totaal anders dan in Afrika.
De piloten opereerden in een moderne oorlog waarin straaljagers steeds belangrijker werden. De lucht boven Korea werd een van de eerste plaatsen waar straalvliegtuigen op grote schaal tegenover elkaar kwamen te staan.
Voor Zuid-Afrikaanse militairen was de Koreaanse Oorlog daardoor ook een technologisch keerpunt.
De ervaring die in Korea werd opgedaan, zou later bijdragen aan de ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht en de opleiding van haar personeel.
Maar Korea had ook een politieke betekenis.
Zuid-Afrika toonde zich bereid om binnen het internationale anticommunistische kamp militaire steun te leveren. Tegelijkertijd zou de internationale houding tegenover het apartheidsregime in de komende decennia steeds kritischer worden.
Dat schiep een merkwaardige tegenstelling.
Zuid-Afrika werkte militair samen met westerse landen tegen communistische tegenstanders, maar werd zelf steeds minder als een volwaardige partner beschouwd vanwege zijn binnenlandse politiek.
De militaire opbouw van de jaren vijftig en zestig
In de jaren na Korea begon Zuid-Afrika verder te investeren in zijn militaire capaciteit.
De krijgsmacht werd gemoderniseerd. Nieuwe vliegtuigen, voertuigen, wapens en communicatiesystemen werden geïntroduceerd. Tegelijk werd de organisatie van het leger aangepast aan de veranderende strategische omstandigheden.
De oprichting van de South African Defence Force, de SADF, in 1957 vormde een belangrijk moment in die ontwikkeling.
De krijgsmacht bestond uit landmacht, luchtmacht en marine en werd geleidelijk uitgebouwd tot een moderne strijdmacht.
Daarbij speelde ook de dienstplicht een steeds grotere rol.
Voor veel witte Zuid-Afrikaanse mannen zou militaire dienst een vast onderdeel van hun jonge volwassen leven worden. Vanaf de jaren zestig werd de militaire dienstplicht geleidelijk uitgebreid en uiteindelijk werd voor veel jonge witte mannen een periode van verplichte dienst een normaal onderdeel van het leven.
De gevolgen daarvan waren enorm.
Een groot deel van een generatie Zuid-Afrikaanse mannen kreeg militaire training. Voor sommigen betekende dit alleen een korte periode van opleiding. Voor anderen werd het militaire leven een beroep. Nog anderen zouden later opnieuw worden opgeroepen voor reservistendienst.
De SADF werd daardoor diep verweven met de samenleving van de blanke bevolking.
Maar tegelijkertijd bleef het leger raciaal gestructureerd.
Zuid-Afrika beschikte over zwarte militaire en ondersteunende eenheden, maar hun positie was niet gelijk aan die van witte dienstplichtigen. In de loop van de jaren zouden bovendien verschillende etnisch of territoriaal georganiseerde eenheden ontstaan.
Dit alles moet worden begrepen tegen de achtergrond van het apartheidsbeleid.
De onafhankelijkheid van Afrikaanse staten
Vanaf de jaren zestig veranderde Afrika snel.
Ghana was in 1957 onafhankelijk geworden. In 1960 volgde een groot aantal Afrikaanse landen. Europese koloniale machten trokken zich steeds verder terug.
Voor Zuid-Afrika betekende dit dat het land steeds meer omringd werd door staten die niet noodzakelijk dezelfde politieke belangen hadden.
Zuid-Afrika bleef zelf het bestuur over South West Africa voeren, het gebied dat tegenwoordig Namibië heet. De internationale juridische status van dat gebied werd steeds controversiëler.
De Verenigde Naties trokken het mandaat van Zuid-Afrika over South West Africa in en beschouwden de verdere Zuid-Afrikaanse aanwezigheid als onrechtmatig. Zuid-Afrika trok zich daar echter niet uit terug.
Tegelijk ontstond in Namibië de South West Africa People's Organisation, beter bekend als SWAPO, die uiteindelijk een gewapende strijd tegen de Zuid-Afrikaanse aanwezigheid zou voeren.
Vanaf het midden van de jaren zestig begonnen daardoor gewapende confrontaties tussen Zuid-Afrikaanse veiligheidstroepen en strijders van SWAPO.
Wat aanvankelijk een relatief beperkte grensproblematiek leek, zou uitgroeien tot een conflict dat bijna een kwart eeuw zou duren.
De grensoorlog
De term "Border War" wordt tegenwoordig gebruikt voor de reeks conflicten die Zuid-Afrika en zijn bondgenoten vanaf de jaren zestig tot het einde van de jaren tachtig in Zuidwest-Afrika, Angola en aangrenzende gebieden voerden.
In Zuid-Afrika werd het conflict lange tijd voorgesteld als een noodzakelijke strijd tegen communistische expansie en gewapende infiltratie.
Vanuit het perspectief van SWAPO en andere antikoloniale bewegingen lag dat uiteraard anders. Voor hen ging het om de strijd voor onafhankelijkheid en zelfbeschikking van Namibië.
Het is daarom belangrijk om de term "grensoorlog" niet te gebruiken alsof daarmee automatisch één historische interpretatie wordt vastgelegd.
Het conflict had meerdere lagen.
Er was de strijd tussen Zuid-Afrikaanse troepen en SWAPO. Er was de Angolese burgeroorlog tussen verschillende Angolese bewegingen. Er was Cubaanse militaire steun aan de MPLA-regering. Er was Sovjetsteun aan de MPLA en haar bondgenoten. Zuid-Afrika steunde op zijn beurt verschillende anticommunistische bewegingen, waaronder UNITA.
Daardoor werd Angola een van de belangrijkste slagvelden van de Koude Oorlog in Afrika.
Angola
Toen Angola in 1975 onafhankelijk werd van Portugal, brak een grote burgeroorlog uit.
De MPLA nam de macht over in Luanda, terwijl FNLA en UNITA tegen de nieuwe regering vochten.
De Sovjet-Unie steunde de MPLA en Cuba stuurde uiteindelijk tienduizenden militairen naar Angola. Zuid-Afrika besloot militair in te grijpen.
De Zuid-Afrikaanse strijdkrachten trokken in 1975 Angola binnen tijdens Operatie Savannah.
Aanvankelijk boekten Zuid-Afrikaanse troepen en hun bondgenoten snel terreinwinst. Maar de internationale situatie veranderde snel. Cubaanse troepen werden op grote schaal ingezet en de militaire situatie werd daardoor aanzienlijk complexer.
De Zuid-Afrikaanse aanwezigheid in Angola werd uiteindelijk teruggeschroefd, maar het conflict was daarmee niet voorbij.
Integendeel.
De daaropvolgende jaren zouden worden gekenmerkt door herhaalde Zuid-Afrikaanse militaire operaties, gevechten met Angolese en Cubaanse troepen en steun aan UNITA.
De grens tussen Zuidwest-Afrika en Angola werd een van de meest gemilitariseerde gebieden van zuidelijk Afrika.
Een moderne oorlog in een moeilijk landschap
De oorlog in Angola was voor de SADF in veel opzichten een moderne oorlog.
De Zuid-Afrikaanse strijdkrachten beschikten over mobiele eenheden, luchtmacht, artillerie, pantservoertuigen en gespecialiseerde verkenningseenheden.
Maar het terrein was enorm.
De uitgestrektheid van Angola maakte het noodzakelijk om zeer mobiel te zijn. Grote formaties moesten over enorme afstanden worden verplaatst. Eenheden konden dagenlang onderweg zijn zonder grote infrastructuur in de buurt.
Hierdoor ontwikkelde de SADF een sterke nadruk op mobiliteit.
Voertuigen werden ontworpen en aangepast voor het Afrikaanse terrein. Lichte pantservoertuigen konden snel over onverharde wegen en door moeilijk terrein bewegen. Mine-resistant voertuigen werden ontwikkeld om troepen te beschermen tegen landmijnen en bermbommen.
Een van de bekendste voorbeelden daarvan is de Casspir.
De Casspir en de Zuid-Afrikaanse militaire industrie
De Casspir werd ontwikkeld als een voertuig dat vooral bescherming moest bieden tegen mijnexplosies en hinderlagen.
Het opvallende ontwerp met de verhoogde romp en V-vormige bodem was bedoeld om de kracht van een explosie weg te leiden van de inzittenden.
Het voertuig werd een van de herkenbaarste symbolen van de Zuid-Afrikaanse militaire technologie uit deze periode.
Ook de Ratel werd bijzonder belangrijk.
De Ratel was een Zuid-Afrikaans ontworpen infanteriegevechtsvoertuig op wielen. Het combineerde mobiliteit met bescherming en vuurkracht en werd een belangrijk onderdeel van de Zuid-Afrikaanse gemotoriseerde infanterie.
Wanneer men vandaag een dergelijk voertuig in een museum ziet, is het interessant om niet alleen naar het ontwerp te kijken.
Het vertelt iets over de oorlog waarvoor het werd gebouwd.
Een leger dat opereert in uitgestrekte gebieden met beperkte infrastructuur heeft andere voertuigen nodig dan een leger dat voornamelijk in Europa tussen steden en verharde wegen opereert.
De Zuid-Afrikaanse defensie-industrie ontwikkelde daarom een aantal systemen die specifiek waren aangepast aan de omstandigheden van zuidelijk Afrika.
Sancties en zelfvoorziening
Vanaf de jaren zeventig werd Zuid-Afrika steeds verder internationaal geïsoleerd.
Wapenembargo's en internationale sancties maakten het moeilijker om moderne militaire technologie rechtstreeks uit het buitenland aan te kopen.
In plaats van de militaire capaciteit eenvoudigweg af te bouwen, stimuleerde dit de ontwikkeling van een eigen defensie-industrie.
Bedrijven zoals Armscor kregen een steeds grotere rol bij de ontwikkeling, productie en integratie van militaire technologie.
Zuid-Afrika ontwikkelde en produceerde onder meer pantservoertuigen, artilleriesystemen, munitie, elektronische systemen en vliegtuigen of vliegtuigonderdelen.
De luchtmacht kreeg te maken met het probleem dat moderne gevechtsvliegtuigen steeds moeilijker konden worden aangekocht.
Zuid-Afrika moest daarom bestaande toestellen moderniseren en eigen oplossingen ontwikkelen.
De Mirage III en Mirage F1 werden belangrijke toestellen binnen de SAAF. Daarnaast ontwikkelde Zuid-Afrika later de Atlas Cheetah, een diepgaand gemoderniseerde ontwikkeling van de Mirage III.
De Cheetah is een goed voorbeeld van de technische kennis die tijdens de periode van internationale isolatie werd opgebouwd.
Het land beschikte niet over onbeperkte middelen, maar probeerde met een combinatie van eigen ontwikkeling, aanpassingen en internationale contacten toch een moderne militaire capaciteit in stand te houden.
Helikopters en mobiliteit
Ook helikopters kregen een steeds belangrijkere rol.
De Zuid-Afrikaanse luchtmacht gebruikte helikopters voor troepentransport, medische evacuatie, bevoorrading, verkenning en ondersteuning van grondtroepen.
De uitgestrektheid van het operatiegebied maakte luchtmobiliteit bijzonder waardevol.
Een eenheid die dagen nodig zou hebben om over land een afgelegen gebied te bereiken, kon met een helikopter veel sneller worden verplaatst.
Maar ook hier waren de omstandigheden in Afrika bepalend.
Helikopters moesten functioneren bij hoge temperaturen, stof en grote afstanden. Piloten en technici moesten leren omgaan met een omgeving waarin onderhoud en bevoorrading veel moeilijker konden zijn dan in Europa.
De Zuid-Afrikaanse militaire luchtvaart ontwikkelde daardoor een eigen karakter.
De menselijke kant van de dienstplicht
Achter de technologie en de militaire operaties stonden tienduizenden jonge mannen.
Voor veel witte Zuid-Afrikanen betekende de dienstplicht dat hun leven in de jaren zeventig en tachtig sterk werd beïnvloed door de SADF.
Zij werden opgeleid, naar militaire bases gestuurd en vervolgens mogelijk naar de grensgebieden uitgezonden.
Voor sommigen werd de militaire dienst een bron van kameraadschap en trots. Voor anderen was het een zware ervaring die zij liever achter zich lieten.
De grensoorlog werd bovendien steeds minder een abstract conflict.
De dienstplichtigen kwamen rechtstreeks in aanraking met gevechten, landmijnen, hinderlagen en de voortdurende spanning van operaties in afgelegen gebieden.
Families thuis leefden met de onzekerheid van een zoon die maandenlang aan de grens verbleef.
Tegelijkertijd begon binnen Zuid-Afrika zelf steeds meer kritiek te ontstaan op het militaire systeem en de politieke context waarin het opereerde.
De oorlog en apartheid
Het is onmogelijk om de geschiedenis van de SADF los te maken van apartheid.
De militaire macht van de staat diende niet alleen voor externe verdediging. De veiligheidsdiensten werden ook ingezet binnen Zuid-Afrika zelf.
Tijdens de jaren tachtig nam de binnenlandse politieke strijd sterk toe. Protesten tegen apartheid werden op grote schaal georganiseerd. De regering verklaarde verschillende noodtoestanden en veiligheidstroepen kregen uitgebreide bevoegdheden.
Het leger werd in bepaalde omstandigheden ingezet ter ondersteuning van de politie.
Dit betekende dat de SADF voor een deel van de bevolking niet alleen werd gezien als verdediger van het land, maar ook als onderdeel van het systeem dat politieke en raciale ongelijkheid in stand hield.
Dat perspectief is essentieel wanneer men vandaag naar de militaire geschiedenis van deze periode kijkt.
Een voertuig kan technisch indrukwekkend zijn en tegelijkertijd onderdeel zijn geweest van een controversiële politieke geschiedenis.
Een militair kan professioneel en moedig hebben gehandeld en tegelijkertijd hebben gediend binnen een systeem dat door miljoenen mensen werd verworpen.
Beide feiten kunnen naast elkaar bestaan.
Juist daarom vraagt de geschiedenis van de SADF om meer nuance dan eenvoudige verhalen over helden en vijanden.
Cuito Cuanavale
Een van de bekendste en meest bediscussieerde veldslagen van de laatste fase van de oorlog in Angola vond plaats rond Cuito Cuanavale in 1987 en 1988.
De gevechten rond deze Angolese plaats groeiden uit tot een groot militair treffen waarbij Angolese, Cubaanse en Zuid-Afrikaanse strijdkrachten betrokken waren, naast hun respectieve bondgenoten.
De betekenis van Cuito Cuanavale is tot op vandaag onderwerp van discussie.
In de Zuid-Afrikaanse militaire herinnering wordt vaak benadrukt dat de SADF en haar bondgenoten belangrijke militaire successen behaalden en dat de Cubaanse en Angolese strijdkrachten zware verliezen leden.
In Cubaanse en Angolese herinneringen wordt Cuito Cuanavale juist gezien als een belangrijk keerpunt waarin de Zuid-Afrikaanse militaire opmars werd gestopt.
Historici hebben de gebeurtenis op verschillende manieren geïnterpreteerd.
Wat wel duidelijk is, is dat de gevechten een belangrijke invloed hadden op de verdere politieke ontwikkelingen in de regio. De militaire confrontatie droeg bij aan onderhandelingen die uiteindelijk zouden leiden tot de terugtrekking van Cubaanse troepen uit Angola en de onafhankelijkheid van Namibië.
Daarmee kwam een conflict dat jarenlang als een van de belangrijkste militaire confrontaties van de Koude Oorlog in Afrika had gefungeerd langzaam tot een einde.
Het einde van de grensoorlog
Tegen het einde van de jaren tachtig veranderde de internationale situatie snel.
De Sovjet-Unie verzwakte. De Koude Oorlog liep ten einde. In verschillende delen van Afrika veranderden de politieke verhoudingen.
Voor Zuid-Afrika werd bovendien steeds duidelijker dat apartheid internationaal en binnenlands niet langer houdbaar was.
In 1989 werd F.W. de Klerk president.
In februari 1990 kondigde hij de vrijlating van Nelson Mandela en het opheffen van het verbod op onder meer het ANC aan.
De onderhandelingen over een nieuw politiek systeem begonnen.
Tegelijk veranderde de militaire positie van Zuid-Afrika.
De oorlog in Angola liep ten einde. Namibië werd onafhankelijk in 1990. De SADF trok zich terug uit de directe militaire betrokkenheid in Angola en de regio.
Voor duizenden Zuid-Afrikaanse militairen betekende dit het einde van een periode die hun volledige volwassen leven had bepaald.
Voor andere Zuid-Afrikanen betekende het iets heel anders: het einde van een militaire macht die zij jarenlang hadden beschouwd als onderdeel van een onderdrukkend systeem.
Ook hier bestaan dus verschillende herinneringen naast elkaar.
Van SADF naar SANDF
De politieke overgang van 1990 tot 1994 bracht uiteindelijk een volledig nieuwe staat voort.
Bij de verkiezingen van april 1994 kwam het African National Congress onder leiding van Nelson Mandela aan de macht.
Een van de grootste uitdagingen van de nieuwe regering was de integratie van de verschillende gewapende organisaties die in de voorafgaande decennia tegenover elkaar hadden gestaan.
De SADF moest worden samengevoegd met onder meer Umkhonto we Sizwe, de gewapende vleugel van het ANC, en andere voormalige bevrijdings- en zelfverdedigingsorganisaties.
Daaruit ontstond de South African National Defence Force, de SANDF.
Dit was geen eenvoudige organisatorische fusie.
Mensen die jarenlang tegenover elkaar hadden gestaan, moesten nu samen één krijgsmacht vormen.
Oude uniformen verdwenen. Nieuwe structuren werden opgezet. Commandanten uit verschillende militaire tradities moesten samenwerken.
Voor Zuid-Afrika was dit een uitzonderlijk proces.
Een militaire geschiedenis die decennialang was verbonden geweest met kolonialisme, apartheid, anticommunisme en grensoorlogen moest worden opgenomen in een nieuwe democratische staat.
Het betekende ook dat de betekenis van de militaire collecties veranderde.
Een voertuig uit de SADF-periode kon niet langer alleen worden bekeken als een voorbeeld van militaire techniek. Het was ook een object uit de geschiedenis van apartheid.
Een uniform kon het verhaal vertellen van een dienstplichtige die zijn land diende, maar evengoed herinneringen oproepen aan een systeem dat door anderen als onderdrukking werd ervaren.
Een vliegtuig kon een technisch hoogtepunt vertegenwoordigen, maar ook herinneren aan bombardementen en militaire operaties over de grens.
De geschiedenis werd daardoor complexer.
Waarom deze periode in een museum thuishoort
Dat is misschien precies waarom de collectie van het DITSONG National Museum of Military History zo waardevol is.
Een museum hoeft geen oordeel voor de bezoeker te formuleren bij ieder object. Het moet vooral de mogelijkheid bieden om het object in zijn historische context te plaatsen.
Een Casspir is een technisch ontwerp.
Een Ratel is een militair voertuig.
Een Mirage is een gevechtsvliegtuig.
Een uniform is een stuk textiel.
Maar wanneer deze voorwerpen samen worden bekeken met documenten, foto's, persoonlijke verhalen en historische context, veranderen ze in getuigen van een bepaalde periode.
De bezoeker wordt dan geconfronteerd met de vraag wat militaire technologie betekent wanneer zij wordt ingezet in een politieke strijd.
En misschien is dat juist een van de belangrijkste lessen van militaire geschiedenis.
Technologie heeft geen eigen politieke moraal.
Een voertuig kan worden gebruikt om soldaten te beschermen, maar ook om macht uit te oefenen. Een vliegtuig kan mensen redden, verkennen of bevoorraden, maar kan ook worden ingezet om doelen aan te vallen. Een leger kan een land verdedigen, maar kan onder bepaalde politieke omstandigheden ook worden gebruikt tegen de eigen bevolking.
De betekenis ligt uiteindelijk in de context waarin de technologie en de mensen die haar gebruiken functioneren.
Een andere blik op het museum
Na de verhalen van de wereldoorlogen, Korea, de Koude Oorlog, apartheid en de grensoorlog krijgt een bezoek aan het DITSONG-museum een andere dimensie.
De grote vliegtuigen en voertuigen zijn indrukwekkend, maar ze zijn niet langer alleen indrukwekkend omdat ze groot of technisch bijzonder zijn.
Ze zijn interessant omdat ze een tijdperk vertegenwoordigen.
Een tijdperk waarin Zuid-Afrika van een jonge dominion uitgroeide tot een regionale militaire macht.
Een tijdperk waarin het land tegelijkertijd steeds verder internationaal werd geïsoleerd.
Een tijdperk waarin jonge Zuid-Afrikanen duizenden kilometers van huis vochten in conflicten waarvan de politieke betekenis pas vele jaren later volledig duidelijk werd.
En uiteindelijk een tijdperk dat eindigde met een van de meest ingrijpende politieke veranderingen uit de moderne Zuid-Afrikaanse geschiedenis.
De overgang van SADF naar SANDF betekende niet alleen de geboorte van een nieuw leger.
Het betekende ook dat Zuid-Afrika zijn militaire verleden opnieuw moest leren bekijken.
Niet langer uitsluitend vanuit het perspectief van de overwinnaar.
Niet uitsluitend vanuit het perspectief van de verliezer.
Maar vanuit een poging om te begrijpen wat er werkelijk is gebeurd.
En dat brengt ons uiteindelijk terug naar de plaats waar dit verhaal begon: het museum zelf.
Want een collectie militaire voertuigen, vliegtuigen, wapens, uniformen en persoonlijke voorwerpen is uiteindelijk slechts waardevol wanneer zij mensen ertoe aanzet om vragen te stellen.
Wie gebruikte dit?
Waarom werd dit gebouwd?
Waar werd het ingezet?
Wie werd erdoor beschermd?
Wie werd erdoor bedreigd?
En wat betekende het voor de mensen die ermee moesten leven?
Op die vragen geeft het DITSONG National Museum of Military History niet altijd één eenvoudig antwoord.
Misschien hoeft het dat ook niet te doen.
Het belangrijkste is dat de voorwerpen bewaard blijven en dat toekomstige generaties de kans krijgen om hun eigen vragen te stellen.
Want het militaire verleden van Zuid-Afrika is geen afgesloten hoofdstuk.
Het is een geschiedenis die nog steeds zichtbaar is in het landschap, in monumenten, in families en herinneringen, in voormalige militaire bases en zelfs in de hedendaagse Zuid-Afrikaanse samenleving.
En juist daarom is een bezoek aan dit museum zoveel meer dan een wandeling langs oude vliegtuigen en voertuigen.
Het museum vandaag, herinnering en mijn bezoek
Na uren door het DITSONG National Museum of Military History te hebben gelopen, begon ik het museum anders te bekijken dan bij mijn aankomst. Bij het binnenkomen valt natuurlijk onmiddellijk het materiële karakter van de collectie op. Grote vliegtuigen hangen boven de bezoekers, militaire voertuigen staan opgesteld, wapens en uniformen trekken de aandacht en in verschillende ruimtes wordt de ontwikkeling van de militaire technologie zichtbaar. Het is gemakkelijk om je in eerste instantie vooral te laten leiden door wat groot, indrukwekkend of technisch bijzonder is.
Maar naarmate je langer blijft kijken, verandert dat.
Een vliegtuig wordt een toestel waarmee mensen naar een oorlog vertrokken. Een uniform wordt het uniform van een bepaalde soldaat. Een medaille verwijst naar iemand die ooit een beslissing nam onder omstandigheden die wij vandaag nauwelijks nog kunnen voorstellen. Een foto toont niet langer alleen een historisch beeld, maar mensen die op dat moment nog niet wisten hoe hun eigen verhaal zou eindigen.
Dat is uiteindelijk wat mij van mijn bezoek het meest is bijgebleven.
Niet alleen de machines, maar vooral de mensen achter die machines.
Een museum over oorlog, maar ook over mensen
Een militair museum kan gemakkelijk de indruk wekken dat het vooral over wapens en technologie gaat. Dat is begrijpelijk. Militaire voertuigen, tanks, vliegtuigen en artilleriestukken zijn vaak groot en indrukwekkend en vormen daardoor vanzelf de blikvangers van een collectie.
Maar oorlog wordt niet gevoerd door machines.
Machines worden gebouwd, onderhouden en bediend door mensen. Achter iedere tank zitten ontwerpers, monteurs, chauffeurs en bemanningen. Achter ieder vliegtuig zitten piloten, technici, grondpersoneel, logistieke medewerkers en mensen die het toestel uiteindelijk inzetbaar moeten maken. Achter iedere soldaat staat bovendien een familie die thuis wacht.
Dat menselijke aspect wordt belangrijker naarmate men zich verder in de geschiedenis verdiept.
Wanneer ik door het museum liep, dacht ik daarom niet alleen aan de grote veldslagen die in de voorgaande delen van dit artikel aan bod kwamen. Ik dacht ook aan de duizenden individuele verhalen die nooit in een geschiedenisboek terechtkwamen.
De jonge man die vanuit een Zuid-Afrikaanse boerderij naar Europa vertrok en misschien nog nooit een echte stad buiten zijn eigen omgeving had gezien. De soldaat die in Noord-Afrika dagenlang in de hitte vocht. De piloot die boven Korea vloog. De dienstplichtige die tientallen jaren later aan de grens van Zuidwest-Afrika terechtkwam. De technicus die een vliegtuig 's nachts weer vliegklaar moest maken. De verpleegkundige die gewonden behandelde. De familie die maandenlang wachtte op een brief.
Dat zijn de verhalen die een militaire collectie uiteindelijk betekenis geven.
De waarde van bewaren
Het bewaren van militaire geschiedenis is niet altijd eenvoudig.
Voorwerpen uit een oorlog kunnen emoties oproepen. Sommige mensen zien een militair voertuig vooral als een indrukwekkend voorbeeld van techniek. Anderen zien hetzelfde voertuig en denken aan een conflict waarin familieleden zijn omgekomen of aan een politiek systeem waartegen zij hebben gestreden.
Beide reacties zijn begrijpelijk.
Een museum hoeft die verschillende herinneringen niet noodzakelijk tot één verhaal te reduceren. Integendeel. Juist door de voorwerpen te bewaren, kunnen verschillende generaties ernaar kijken en proberen te begrijpen wat ze betekenden.
Dat is een van de belangrijkste functies van een historisch museum.
Een museum hoeft het verleden niet mooier te maken dan het was. Het hoeft het ook niet uit te wissen omdat sommige onderdelen vandaag ongemakkelijk zijn. Het moet het verleden zichtbaar houden en voldoende context bieden om het te kunnen begrijpen.
Dat is zeker belangrijk in Zuid-Afrika.
De geschiedenis van dit land bestaat uit verschillende lagen die voortdurend over elkaar heen liggen. De koloniale geschiedenis, de conflicten tussen Afrikaanse koninkrijken en Europese koloniale machten, de Anglo-Boerenoorlogen, de twee wereldoorlogen, de opkomst van Afrikaner-nationalisme, apartheid, de Koude Oorlog, Angola, de grensoorlog en uiteindelijk de overgang naar democratie kunnen niet los van elkaar worden gezien.
Een militair museum is daardoor automatisch ook een museum over politiek, samenleving, technologie en menselijke keuzes.
Geen eenvoudige helden en geen eenvoudige schurken
Hoe langer ik naar de collectie keek, hoe meer ik ervan overtuigd raakte dat militaire geschiedenis zelden in eenvoudige categorieën kan worden verdeeld.
Geschiedenisboeken hebben soms de neiging om oorlogen te beschrijven vanuit duidelijke kampen. De ene partij is de tegenstander, de andere de eigen partij. Maar de mensen die de geschiedenis daadwerkelijk meemaken, leven meestal in een veel ingewikkelder werkelijkheid.
Een soldaat kan moedig zijn en toch voor een verkeerde politieke zaak vechten.
Een militair kan binnen een problematisch systeem proberen zijn opdracht zo goed mogelijk uit te voeren.
Een tegenstander kan tegelijkertijd een vijand op het slagveld en een mens met een gezin zijn.
Een politieke beslissing kan vanuit het ene perspectief noodzakelijk lijken en vanuit een ander perspectief rampzalig.
Dat betekent niet dat alle standpunten daarom automatisch gelijkwaardig zijn. Historische feiten blijven belangrijk. Er zijn politieke systemen geweest die mensen fundamenteel hun rechten ontnamen. Er zijn oorlogen geweest die onnodig waren. Er zijn misdaden gepleegd en slachtoffers gemaakt.
Maar juist daarom is historische context zo belangrijk.
Wie alleen naar een militair object kijkt zonder de geschiedenis erachter te kennen, mist een groot deel van het verhaal.
Zuid-Afrika als militaire geschiedenis op zich
Tijdens mijn bezoek werd voor mij opnieuw duidelijk hoe uitzonderlijk Zuid-Afrika eigenlijk is wanneer het gaat om militaire geschiedenis.
Er zijn weinig landen waar in een relatief overzichtelijk gebied zoveel verschillende historische lagen samenkomen.
Wie door Zuid-Afrika reist, komt plaatsen tegen die rechtstreeks verbonden zijn met de Anglo-Zoeloeoorlog. Isandlwana en Rorke's Drift liggen niet alleen in geschiedenisboeken; ze liggen in het landschap. Bij Bloedrivier wordt de herinnering aan de Voortrekkers en het Zoeloekoninkrijk tastbaar. In verschillende steden en dorpen zijn monumenten en begraafplaatsen die verwijzen naar de Anglo-Boerenoorlogen.
Verder zijn er de herinneringen aan de wereldoorlogen.
In Kaapstad, Durban en andere havensteden is de maritieme geschiedenis zichtbaar. Op verschillende plaatsen in het land zijn monumenten voor militairen die in Europa, Afrika en Azië vochten. En verspreid over Zuid-Afrika zijn er nog steeds militaire gebouwen, vliegvelden, begraafplaatsen en monumenten die verwijzen naar de twintigste eeuw.
Wie daarna verder kijkt naar de geschiedenis van de SADF, ontdekt weer een compleet ander Zuid-Afrika.
Dat maakt reizen door dit land voor mij ook zo interessant.
Het landschap is nooit alleen landschap.
Een berg kan een slagveld zijn geweest. Een oude spoorlijn kan ooit een strategische verbinding zijn geweest. Een klein dorp kan verbonden zijn met een belangrijke militaire gebeurtenis. Een monument langs de weg kan verwijzen naar een verhaal dat de meeste voorbijgangers nauwelijks kennen.
Juist die verbinding tussen landschap en geschiedenis maakt Zuid-Afrika zo bijzonder.
Johannesburg is meer dan een tussenstop
Dat geldt zeker voor Johannesburg.
Voor veel internationale reizigers is Johannesburg in de eerste plaats de plaats waar ze aankomen. OR Tambo International Airport is voor talloze bezoekers het beginpunt van een reis naar Kruger, de Panorama Route, KwaZulu-Natal, Kaapstad of een van de vele andere bestemmingen.
Daar is niets mis mee.
Maar Johannesburg verdient meer aandacht dan alleen een luchthaven en een hotelovernachting.
De stad is een belangrijk onderdeel van de moderne geschiedenis van Zuid-Afrika. De ontdekking van goud op de Witwatersrand speelde een enorme rol in de ontwikkeling van Johannesburg en in de economische geschiedenis van het land. De stad werd een centrum van industrie, migratie, politiek en later van de strijd tegen apartheid.
Wie Johannesburg bezoekt, kan daardoor verschillende historische lagen combineren.
Het DITSONG National Museum of Military History past daar uitstekend in.
Het museum vertelt immers niet alleen een verhaal over oorlogen die ver van Johannesburg plaatsvonden. Het vertelt ook hoe Zuid-Afrika zich ontwikkelde tot de staat die het vandaag is.
Mijn bezoek
Ik had het museum al langer op mijn lijst staan en ben er tijdens mijn verblijf in Johannesburg uiteindelijk uitgebreid gaan rondkijken.
Ik heb tijdens mijn bezoek heel wat foto's gemaakt. Niet alleen van de grote objecten die onmiddellijk de aandacht trekken, maar ook van details die gemakkelijk over het hoofd worden gezien.
Want wanneer je rustig de tijd neemt, ontdek je dat een museum als dit eigenlijk uit honderden kleine verhalen bestaat.
Een embleem op een uniform.
Een oude kaart.
Een medaille.
Een cockpit.
Een naam op een herinneringsplaat.
Een beschadigd onderdeel.
Een foto van jonge mannen die ergens duizenden kilometers van huis staan.
Dat zijn precies de dingen waardoor een collectie voor mij begint te leven.
Ik ben zelf veel onderweg in Zuid-Afrika en kom daardoor regelmatig op plaatsen waar geschiedenis letterlijk in het landschap aanwezig is. Toch was het interessant om die verschillende verhalen hier op één plaats samen te zien komen.
Het museum geeft namelijk een overzicht dat je op geen enkele historische locatie afzonderlijk kunt krijgen.
Je kunt er als het ware door de tijd wandelen.
Van de vroegste militaire conflicten in zuidelijk Afrika naar de koloniale periode, de Anglo-Zoeloeoorlog en de Anglo-Boerenoorlogen, vervolgens naar de Eerste en Tweede Wereldoorlog, Korea, de Koude Oorlog, Angola en de Zuid-Afrikaanse militaire geschiedenis van de twintigste eeuw.
Dat maakt het museum voor mij bijzonder waardevol.
Een plaats van herinnering
Er is nog een andere reden waarom ik vind dat dergelijke musea belangrijk zijn.
Onze generatie krijgt oorlog steeds vaker te zien via televisiebeelden, internet en sociale media. Moderne conflicten worden vrijwel onmiddellijk in onze huiskamers gebracht. We zien beelden van tanks, vliegtuigen, raketten en verwoeste steden terwijl de gebeurtenissen plaatsvinden.
Maar juist daardoor kunnen oorlogen soms bijna onwerkelijk worden.
Een museum doet het tegenovergestelde.
Een museum maakt oorlog tastbaar.
Je staat letterlijk naast een voertuig dat ooit op een slagveld reed. Je kunt een uniform bekijken dat iemand werkelijk heeft gedragen. Je ziet een vliegtuig waarvan de bemanning ooit in een echte oorlogsmissie vertrok.
De afstand tussen heden en verleden wordt daardoor kleiner.
En misschien is dat een van de belangrijkste redenen waarom militaire musea moeten blijven bestaan.
Niet om oorlog te verheerlijken.
Niet om wapens aantrekkelijk te maken.
Maar om te herinneren waartoe menselijke keuzes kunnen leiden.
Wat mij persoonlijk bijblijft
Wanneer ik terugdenk aan mijn bezoek, zijn het uiteindelijk niet één specifiek vliegtuig of één specifiek voertuig die mij het meest bijblijven.
Het is de omvang van het verhaal.
Zuid-Afrika heeft in iets meer dan honderd jaar een enorme militaire ontwikkeling doorgemaakt. Van koloniale legers en commando's tot moderne luchtmacht en pantservoertuigen. Van lokale conflicten tot deelname aan twee wereldoorlogen. Van een Britse dominion tot een onafhankelijke republiek. Van de SADF naar de SANDF.
En achter die ontwikkeling zitten honderdduizenden mensen.
Sommigen gingen vrijwillig.
Anderen werden opgeroepen.
Sommigen geloofden sterk in de zaak waarvoor ze vochten.
Anderen deden gewoon wat van hen werd verwacht.
Sommigen keerden terug.
Anderen niet.
Sommigen hielden hun ervaringen hun hele leven voor zichzelf.
Anderen schreven hun herinneringen neer zodat volgende generaties konden begrijpen wat zij hadden meegemaakt.
Dat menselijke verhaal is voor mij uiteindelijk belangrijker dan de wapens zelf.
Een museum bezoeken zonder specialist te zijn
Je hoeft overigens helemaal geen liefhebber van militaire geschiedenis te zijn om het museum interessant te vinden.
Wie iets heeft met vliegtuigen of voertuigen zal er uiteraard veel te ontdekken vinden. Maar ook voor bezoekers die vooral geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van Zuid-Afrika biedt het museum veel.
Het kan bovendien een goede aanvulling zijn op een reis waarbij je andere historische plaatsen bezoekt.
Wie bijvoorbeeld de Anglo-Zoeloeoorlogen interessant vindt, kan het museum gebruiken als achtergrond voordat hij naar KwaZulu-Natal reist. Wie meer wil begrijpen van de ontwikkeling van Zuid-Afrika in de twintigste eeuw, krijgt hier een overzicht van de militaire kant van dat verhaal. En wie geïnteresseerd is in de Tweede Wereldoorlog krijgt een ander perspectief dan in Europese oorlogsmusea.
Juist de Zuid-Afrikaanse invalshoek maakt het museum bijzonder.
Het vertelt de wereldoorlogen niet uitsluitend vanuit Europa.
Het laat zien hoe een land aan de andere kant van de wereld betrokken raakte, welke mensen werden ingezet, welke rol Afrika speelde en hoe die internationale conflicten vervolgens opnieuw invloed hadden op de verdere geschiedenis van Zuid-Afrika.
Ook interessant binnen een rondreis door Zuid-Afrika
Voor reizigers die met mij door Zuid-Afrika reizen, is geschiedenis sowieso een belangrijk onderdeel van het land.
Een reis hoeft voor mij nooit alleen uit natuur en safari te bestaan. Zuid-Afrika heeft daarvoor simpelweg te veel geschiedenis en cultuur.
Wie bijvoorbeeld in Johannesburg aankomt, kan een bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History combineren met andere historische en culturele plaatsen. Daarna kan de reis verdergaan richting de Panorama Route en Kruger, of in een andere richting naar KwaZulu-Natal, de Drakensberg, de Garden Route of Kaapstad.
Dat hoeft uiteraard niet allemaal in één reis.
Mijn reizen zijn privé en worden aangepast aan de interesses, beschikbare tijd en het tempo van de reizigers. Voor iemand die bijzonder geïnteresseerd is in militaire geschiedenis, kunnen historische plaatsen en musea daarom bewust in het reisprogramma worden opgenomen.
Wie Zuid-Afrika op die manier wil ontdekken en daarbij ook safari, natuur en geschiedenis wil combineren, kan mij via mijn website contacteren. Ik bekijk dan samen met de reizigers hoe we hun interesses kunnen verwerken in een privéreis die niet volgens een vast groepsprogramma hoeft te verlopen.
CEBEON – Zuid-Afrika Reizen op Maat
Waarom ik blij ben dat ik ben gegaan
Achteraf ben ik vooral blij dat ik tijdens mijn verblijf in Johannesburg de tijd heb genomen om het museum echt rustig te bezoeken.
Het is geen museum waar je volgens mij even snel doorheen moet lopen om daarna te kunnen zeggen dat je het gezien hebt.
De collectie verdient tijd.
Niet alleen om de grote stukken te bekijken, maar vooral om de verbanden te leggen.
Een oorlog die in Europa begon, had gevolgen in Afrika. Een militaire campagne in Namibië had later gevolgen voor Angola. Een conflict in Korea beïnvloedde de ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht. De Koude Oorlog speelde zich niet alleen af tussen Washington en Moskou, maar had ook gevolgen tot diep in zuidelijk Afrika.
En een politiek systeem dat uiteindelijk in 1994 eindigde, heeft nog steeds invloed op de manier waarop deze geschiedenis vandaag wordt herinnerd.
Dat maakt het museum zoveel interessanter dan een verzameling oude militaire spullen.
Het is een plaats waar de geschiedenis van Zuid-Afrika, de geschiedenis van Afrika en de wereldgeschiedenis voortdurend in elkaar grijpen.
Het verleden bewaren zonder het te verheerlijken
Misschien is dat ook de beste manier om naar een militaire collectie te kijken.
We hoeven het verleden niet te verheerlijken om het te bewaren.
We hoeven evenmin alles uit het verleden te verwerpen omdat bepaalde hoofdstukken vandaag moeilijk of pijnlijk zijn.
We kunnen naar een militair voertuig kijken en tegelijkertijd erkennen waarvoor het werd gebruikt.
We kunnen de technische ontwikkeling van een vliegtuig bewonderen en tegelijk stilstaan bij de gevolgen van luchtbombardementen.
We kunnen het persoonlijke verhaal van een soldaat respecteren zonder noodzakelijk de politieke beslissingen te verdedigen die zijn regering nam.
En we kunnen slachtoffers herdenken zonder de geschiedenis te vereenvoudigen.
Dat is volgens mij de kracht van een goed historisch museum.
Het geeft ons geen verleden dat netjes in goed en kwaad is verdeeld.
Het geeft ons bronnen, voorwerpen en verhalen waarmee we proberen te begrijpen wat er werkelijk is gebeurd.
Een laatste blik voordat ik vertrek
Toen ik het museum uiteindelijk verliet, was het contrast met de buitenwereld opvallend.
Buiten ging Johannesburg gewoon verder.
Verkeer, mensen, gebouwen, geluiden en het dagelijkse leven van een moderne Zuid-Afrikaanse stad.
Binnen had ik uren door meer dan een eeuw militaire geschiedenis gelopen.
Die twee werelden bestaan naast elkaar.
De mensen die vandaag door Johannesburg rijden, leven in een land dat mede is gevormd door alle gebeurtenissen die in het museum worden verteld. De politieke grenzen, de verschillende bevolkingsgroepen, de economische ontwikkeling, de internationale positie van het land en zelfs bepaalde aspecten van de hedendaagse samenleving kunnen niet volledig worden begrepen zonder die geschiedenis.
Dat is uiteindelijk waarom ik vind dat een bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History de moeite waard is.
Niet omdat iedereen geïnteresseerd moet zijn in oorlog.
Maar omdat iedereen die Zuid-Afrika beter wil begrijpen, vroeg of laat met zijn geschiedenis wordt geconfronteerd.
En militaire geschiedenis maakt daar onmiskenbaar deel van uit.
Mijn bezoek heeft mij in ieder geval opnieuw doen beseffen hoeveel verhalen er in Zuid-Afrika nog te ontdekken zijn. Soms staan ze op bekende plaatsen die duizenden toeristen bezoeken. Soms liggen ze verborgen langs een kleine weg, op een oude begraafplaats, bij een monument of in een museum waar je misschien in eerste instantie helemaal niet aan dacht.
Juist daarom vind ik reizen door Zuid-Afrika zo boeiend.
Het land laat zich niet in één verhaal vatten.
Het is een land van natuur en steden, van safari en geschiedenis, van oude culturen en moderne ontwikkelingen, van schoonheid en moeilijke herinneringen.
Het DITSONG National Museum of Military History is daar een bijzonder goed voorbeeld van.
Wie er binnenkomt, ziet vliegtuigen, voertuigen, uniformen en wapens.
Wie langer blijft kijken, ziet mensen.
En wie daarna nog verder kijkt, ziet een deel van de geschiedenis van een heel land.
Fotoreportage – mijn bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History
Onderstaand volgt mijn persoonlijke fotoreportage van het bezoek aan het DITSONG National Museum of Military History in Johannesburg.
Ik heb tijdens mijn bezoek een groot aantal foto's gemaakt. In plaats van de historische reportage voortdurend met foto's te onderbreken, heb ik ervoor gekozen om het beeldmateriaal hier samen te brengen in één afzonderlijk fotoalbum.
Zo blijft het historische verhaal hierboven leesbaar als één geheel, terwijl de foto's eronder de mogelijkheid geven om rustig verder door de collectie te kijken.
De beelden tonen slechts een deel van wat er in het museum te zien is, maar geven hopelijk een goede indruk van de omvang en diversiteit van de collectie.
Voor mij vormen de foto's samen met de reportage één geheel: eerst het verhaal, daarna de beelden van de plaats waar ik het verhaal zelf ben gaan bekijken.
